Geen vervolging, onderzoek was een mission impossible

Ja, er is gelekt uit de ‘commissie-stiekem’, maar bewijs is niet gevonden. Het onderzoek was ondoenlijk.

De commissie-Schouten bij de presentatie van haar rapport. Van links naar rechts  Michiel van Nispen (SP), Vera Bergkamp (D66), Jeroen Recourt (PvdA), voorzitter Carola Schouten (ChristenUnie), Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib die het rapport in ontvangst nam, Mark Harbers (VVD), Madeleine van Toorenburg (CDA) en Raymond de Roon (PVV). Foto NRC / David van Dam

Laten we alsjeblieft een punt achter dit verhaal zetten. Zo kun je de conclusie samenvatten van het onderzoek dat de Tweede Kamer deed naar de ‘commissie-stiekem’. En uit de zuinige politieke reacties blijkt wel dat de meeste partijen het daar hartgrondig mee eens zijn.

Onder leiding van Carola Schouten (ChristenUnie) deed een groep van zeven Kamerleden onderzoek naar lekken uit die commissie-stiekem. Woensdag maakte Schouten bekend dat zij geen gronden voor vervolging gevonden hebben. De commissie trof „geen feiten of omstandigheden aan die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld” van één of meer fractievoorzitters. Schouten zei dat te betreuren. 

Onderwerp van onderzoek was het lekken naar NRC uit twee vergaderingen van de commissie-stiekem, in december 2013 en februari 2014. In die vertrouwelijke commissie bespreken de fractievoorzitters het werk van de inlichtingendiensten. 

Het onderwerp van gesprek op die vergaderingen lag destijds politiek heel gevoelig: de vraag of minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) de Tweede Kamer wel of niet had geïnformeerd over zijn onjuiste uitspraken op televisie over het verzamelen van 1,8 miljoen telefoondata. De voorzitter van de commissie-stiekem, VVD’er Halbe Zijlstra, deed in maart 2014 aangifte wegens het schenden van de geheimhoudingsplicht.  

Maar afgelopen november kreeg de Tweede Kamer dit lastige dossier ineens terug op haar bord van het Openbaar Ministerie. Tijdens het onderzoek waren „een of meer” fractievoorzitters „in beeld” gekomen, meldde het OM. En door een kronkel in de wet kan het besluit tot vervolging wegens een ambtsmisdrijf door een Kamerlid alleen door het parlement zelf worden genomen.

Aan Schouten en co dus de taak om verdachten aan te wijzen en vervolgens de Hoge Raad te vragen hen te vervolgen. Dat was een „mission impossible”, concludeert de commissie. 

Dat kwam door drie dingen. Ten eerste leverde het OM geen goed werk. Het onderzoek naar de aangifte, gedaan in maart 2014, lag vanaf november 2014 „de facto stil”. En het OM deed „erg lang” over de vraag of het zelf bevoegd was om deze zaak te behandelen.

Pas in november 2015, ruim anderhalf jaar na de aangifte, besloot het OM de zaak aan de Tweede Kamer over te dragen. Het onderzoek van het OM was bovendien „geenszins een panklaar dossier” dat zo aan de Hoge Raad kon worden doorgegeven, schrijft de commissie. De pijnlijkste constatering van Schouten is misschien wel deze: „Het onderzoek bevatte geen verdachten.” 

Ter verdediging van het OM valt te zeggen dat een onderzoek naar lekken notoir moeilijk is: journalisten maken gebruik van hun verschoningsrecht en mogelijke verdachten hebben geen baat bij een bekentenis. Het OM laat weten pas te willen reageren na het Tweede Kamerdebat over het rapport.

Reden twee dat Schouten niet slaagde, is de opdracht die ze meekreeg van het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer. Die was „niet zonder meer helder”. Naar wie moesten ze eigenlijk onderzoek doen? Alleen naar de fractievoorzitters of ook naar hun persoonlijk medewerkers? En de ambtenaren van de minister die het geheime overleg bijwoonden dan? „Wij waren niet bevoegd om naar alles en iedereen onderzoek te doen”, zegt Schouten.

Uiteindelijk besloot de commissie zich te beperken tot Plasterk en de fractievoorzitters die destijds in de commissie-stiekem zaten. Die hadden in februari 2014 veelvuldig contact met journalisten, verklaarden ze tegenover de commissie – zowel met NRC als met andere media.

Alleen: stuk voor stuk zeiden ze „nooit mededeling te hebben gedaan” aan journalisten over wat in de commissie-stiekem is besproken. Ook zeiden de ondervraagden zich weinig te herinneren over contacten van twee jaar geleden. Dat „speelde de commissie parten”.

De derde verklaring voor het mislukken van de opdracht: de commissie moest met tegenstrijdige en hopeloos verouderde wetten werken. De ene wet beoogt waarheidsvinding door openbare hoorzittingen, de ander gaat juist uit van de vertrouwelijkheid die hoort bij strafrechtelijke onderzoeken.

De belangrijkste aanbeveling van de commissie is dan ook om die wet die het vervolgen van landelijke politici en bestuurders regelt, snel te moderniseren. Geen nieuw advies: in 2010 verscheen al eens een onderzoeksrapport dat precies hetzelfde bepleitte. Sindsdien veranderden parlement en kabinet niets aan de wet.

Volgende week debatteert de Tweede Kamer nog over de kwestie. Grote kans dat de partijen een plan gaan verzinnen om de wet – dit keer écht – aan te passen. En als ze het kabinet vragen om met zo’n voorstel te komen? Dan moeten ze, ironisch genoeg, bij minister Plasterk zijn – de bewindspersoon met wie alle ellende begon.