Een slachting van 10.000 jaar oud

De vondst van tien zwaar verwonde skeletten van jagers werpt nieuw licht op de veel bediscussieerde oorsprong van oorlog. Oerstrijd blijkt ver terug te gaan.

Foto Marta Mirazon Lahr / Fabio Lahr

Heeft de mens altijd oorlog gevoerd? Daarover woedt strijd onder wetenschappers. Zij die denken dat oorlogvoering zich heeft ontwikkeld uit agressie van vroege jagers en verzamelaars tegen naburige zwerfgroepen, staan sinds vandaag wat sterker in hun schoenen. Want een internationaal team archeologen en antropologen vond in het noorden van Kenia de slachtoffers van een oorlogshandeling die zo’n 10.000 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Zij publiceren hun vondst deze week in het tijdschrift Nature.

Dichtbij het Turkanameer, dat ooit veel groter was dan nu, vonden de onderzoekers de resten van ten minste 27 mensen, gedeeltelijk aan de oppervlakte. Ze lagen aan de rand van wat eens een lagune was, waar sommigen mogelijk in gevallen zijn. De lichamen zijn kennelijk niet begraven; ze lagen in willekeurige houdingen naast en over elkaar. De meeste overblijfselen waren incompleet en verweerd. De beenderen van 12 skeletten lagen min of meer op hun plaats.

Van de 27 individuen waren er 21 volwassen: 8 mannen, 8 vrouwen, van de overige 5 was de sekse onduidelijk. Verder lagen er de gedeeltelijke resten van 6 kinderen, dichtbij of verstrengeld met vier volwassen vrouwen. De kinderen waren op één na jonger dan zes jaar toen ze stierven. Een was een tiener.

De resten zijn gedateerd aan de hand van materiaal in de afzettingslaag waarin ze zijn gevonden, en de resten van schelpdieren. Binnen een straal van 10 meter zijn verder stenen werktuigen gevonden die dateren uit het vroege Holoceen, zo’n 10.000 jaar gelden. Van geologisch onderzoek is bekend dat dit een lagune was die destijds overging in het Turkanameer.

Tien van de twaalf min of meer complete skeletten vertoonden sporen van dodelijke verwondingen. Vijf hadden een wond aan hoofd en/of nek die was toegebracht met een scherp voorwerp, mogelijk een pijlpunt. Vijf anderen hadden hoofdwonden, toegebracht met een slagwapen. Verder hadden sommigen gebroken ribben en breuken aan knieën en handen. In twee lichamen zijn wapenresten gevonden. Een had een lemmetfragment van obsidiaan in zijn schedel; een ander had een sikkelvormige scherf vuursteen in de borst en een driehoekig stukje obsidiaan in de onderbuik.

De onderzoekers beschouwen de aanwezigheid van projectielpunten in de lichamen en de tekenen van harde klappen op hoofden, nek, ribben en handen als doorslaggevend bewijs voor opzettelijk geweld, voor een gewapend conflict tussen groepen.

Rond het Turkanameer werd in het vroege Holoceen geen landbouw bedreven. De vruchtbare oevers werden bevolkt door talrijke groepen jagers en verzamelaars. Dat er onder de slachtoffers vrouwen en kinderen waren wijst op een overval. Een zwerfgroep overviel een andere, mogelijk om toegang te krijgen tot diens jachtgronden, of om vrouwen en voedselvoorraden te roven.

De Amerikaanse archeoloog Lawrence Keeley noemde in zijn studie War before Civilization (1996) de opvatting dat oorlog begon met het ontstaan van landbouw een mythe. Hij schreef dat in de prehistorie een kwart van de mannelijke jagers en verzamelaars door oorlogsgeweld aan zijn eind kwam. Deze Afrikaanse vondst zal hem genoegen doen.