De man die een gebouw componeerde

Krzysztof Penderecki bouwde zijn eigen muziekcentrum. Deze maand is hij componist in residence in Eindhoven.

Foto Bruno Fydich

Wonderlijk, zoals het daar oprijst in de leegte. Zoals meer prestigeprojecten van de Europese Unie ligt het gloednieuwe European Krzysztof Penderecki Centre for Music, in 2013 geopend, in de middle of nowhere. Om precies te zijn: in Luslawice, zeventig kilometer van de plek waar naamgevend componist Krzysztof Penderecki zijn kindertijd doorbracht. En honderd kilometer van de voormalige Poolse hoofdstad Kraków, waar hij studeerde, lesgaf of in een café zijn composities op servetjes krabbelde – als hij thuis gek werd van zijn pianospelende vrouw.

Zo’n 14 miljoen euro stak de EU in dit muziekcentrum, dat de culturele infrastructuur op het platteland een boost moet geven en daartoe beschikt over een prachtige grote zaal van 650 stoelen, kamermuziekzaal, opnamestudio’s, kleedruimtes, kantine, vip-appartementen met bad (voor belangrijke musici) en nog eens gangen vol meer basale slaapkamers, in aantal genoeg om een heel orkest te huisvesten.

In de zomer is er een festival, regelmatig zijn er masterclasses, drie keer per maand is er een concert en af en toe een cd-opname, zoals vandaag. Maar verder is het enorme gebouw uitgestorven, wat in contrast met schaal en luxe bijdraagt aan een volstrekt surrealistische sfeer. „Vanmiddag arriveren wel zeventig musici van de Sinfonia Varsovia voor het concert van morgenavond”, zegt medewerkster Wanda Gajdamowicz – een jonge Letse die in een van de kamertjes in het centrum woont. „De geluidsstudio’s mogen we niet verhuren. Het is een EU-eis dat we de eerste vijf jaar geen winst maken. Ook alle concerten zijn gratis. De boeren uit de dorpen om ons heen hoeven alleen maar te reserveren. Ze hebben geleerd niet meer te klappen tussen de delen.”

Opvallend: naamgever Penderecki zelf is overal indirect aanwezig, als een levende heilige. Het centrum was zijn idee: een plek in de luwte waar jong talent kan bloeien. Op een binnenplaats en in de hal staan bustes, in de ontvangstzaal hangt een portret. „Dat zou ongemakkelijk zijn als hij er arrogant onder was”, zegt Gajdamowicz. „Maar de professor is juist een bescheiden man.” In de gang hangen 3D-schetsen voor de audiovisuele hal die nog komt, met nisjes waarin je Penderecki’s composities kunt beluisteren, kijkend naar video’s van de gebeurtenissen uit de 20ste en 21ste eeuw die er verband mee houden. Penderecki zelf droomt nog van een zwembad voor de musici, en een sportruimte. De EU-aanvraag loopt.

Bomentuin en labyrinten

Veertig jaar geleden kocht Penderecki het land waarop nu, als een uit de kluiten gewassen droom, dit centrum staat. Aan de andere kant van de bobbelige weg ligt zijn eigen landhuis, uit 1800, met een enorme bomentuin en twee labyrinten op dertig hectare land. Het arboretum telt 1.800 verschillende soorten bomen, vertelt hij. „Sommige heb ik zelf als babyboompjes in mijn koffer van overal vandaan hier naartoe gesmokkeld. Bomen zijn mijn passie, mijn opa leerde me al Latijnse bomennamen toen ik vijf was. Mijn overgrootvader was boswachter. Mijn dochter heeft een bloemenwinkel. Ik denk dat het genetisch is.”

En de labyrinten? „Die vind ik gewoon leuk. Dat grote daar zal straks twee meter hoog zijn. Ik heb weleens gezegd dat ik mijn critici erin los zal laten. Maar serieus: als kunstenaar creëer je in elk werk je eigen labyrint. Ik maak tevoren altijd schetsen over de vorm op grote schaal, maar uiteindelijk is elke compositie een doolhof waar je niet meteen de weg weet, en ook vaak moet omkeren om je weg te vinden.”

Omdraaien deed Penderecki zelf in zijn oeuvre niet alleen op microniveau, maar ook fundamenteel. Tot ongeveer 1966, het jaar waarin zijn nog steeds indrukwekkende, zeer succesvolle Lukas Passion het licht zag, was hij hét gezicht van de Poolse avant-garde. De douane nam een postpakket met de grafische partituur van zijn Threnody to the Victims of Hiroshima (1964) zelfs in beslag, omdat de notenbrij zo alarmerend oogde dat men er een atomisch wraakrecept of iets anders engs in vermoedde.

Maar wie beter luistert, zag al vroeg kiemen voor de richting die Penderecki later uitging, en waarin tonale, grootschalige en vaak geestelijke werken („wat ook gewoon komt omdat de Bijbel geniale literatuur is”) de boventoon gingen voeren, zoals bij Polymorphia (1961) voor 48 strijkers, dat ook werd gebruikt in Kubricks The Shining.

Ouderlijk huis

Penderecki werd in 1933 geboren, op zeventig kilometer van zijn landhuis. Zoals de meeste stadjes in de streek was de bevolking destijds voor driekwart Joods. „Mijn ouderlijk huis”, vertelt hij, „grensde pal aan wat vanaf 1939 het getto heette. In 1943 volgden de deportaties naar de vernietigingskampen, maar dat betrof alleen de volwassenen. Kinderen en bejaarden werden meteen doodgeschoten, dat kon ik zien vanuit mijn raam. Ook mijn vrienden ja, ik sprak deels zelfs Jiddisch. Het waren overigens geen SS’ers die dan schoten, maar gewone soldaten. Jongens.”

Natuurlijk zijn die trauma’s nog levend, beaamt hij. In zijn muziek heeft Penderecki veel aangeknoopt bij tragedies uit de geschiedenis, van Hiroshima tot ‘9/11’. „Alle componisten en kunstenaars ervoeren na de Tweede Wereldoorlog een drang om iets nieuws te maken”, zegt hij. „Maar de opvatting van Adorno, dat poëzie na Auschwitz barbaars zou zijn, is de mijne nooit geweest. Ik heb dertig zeer avant-gardistische stukken gecomponeerd, maar elke kunstenaar heeft periodes die tot een eind komen, waarna iets nieuws begint. In mijn geval was dat: aanknopen bij de traditie. Er zijn modernisten geweest die geniale, zeer invloedrijke stukken hebben gecomponeerd. Maar ik geloof ook dat tonaliteit mensen in zekere zin eigen is. Geen kind zingt atonaal. Je kunt zo’n kind vast wel kweken door het alleen naar Stockhausen en Xenakis te laten luisteren. Maar ik denk wel dat het dan ziek wordt.”

Het nadrukkelijke politieke engagement van veel van zijn werken, zegt hij, komt vooral voort uit zijn persoonlijke wens zijn stem te doen horen. „Mijn Polish Requiem, of Threnody, of Resurrection – dat zijn allemaal werken die verband houden met moeilijkheden waarop ik wilde reageren. Is dat wens, morele plicht? Ik weet het niet. Ik zag het gebeuren en wilde erover schrijven. Moest erover schrijven.”

Dat sommige critici over Resurrection schreven dat het kitscherig was, of zijn Achtste symfonie afdoen als Mahler-, Wagner- en Chopin-epigonisme, dat deert hem niet, zegt hij. „Niet iedereen hoeft te accepteren wat ik doe, dat ik een idioom omarm waarvan ik wél vind dat er nog oneindige mogelijkheden in verscholen liggen. En dat is ook prima. Het hoort erbij. Als ik er zelf maar zeker van ben dat ik gelijk heb.”

Dirigeren als sport

Voor de driegangenlunch leidt Penderecki met ontroerende trots rond door zijn Herrenhaus. „We staan nu in interieurtijdschriften, maar dit was een totale ruïne”, zegt hij. Alle vertrekken, waaronder zijn pianoloze werkkamer („ik hoor alles in mijn hoofd”), staan vol achttiende-eeuwse meubelen, iconen en geglazuurde kachels. En foto’s, bijvoorbeeld met vrienden als paus Johannes Paulus II.

Penderecki is eenderde deel van zijn tijd in Luslawice. De overige tweederde zijn verdeeld over zijn stadshuis in Kraków en, nog altijd, vier maanden reizen per jaar – altijd met echtgenote Elzbieta, al vijftig jaar de drijvende kracht achter de verbreiding van zijn muziek. „Dat reizen doen we graag, hoor. Natuurlijk, ik ben 82 en slaap graag thuis. Maar ik wil ook dat mijn muziek gehoord wordt. Bovendien is het onderhoud van dit huis kostbaar. Voor binnen heb ik twee mensen in dienst, voor buiten zes.”

Waar hij nu aan werkt? Twee symfonieën en een opera voor de Wiener Staatsoper. Met als libretto, waarschijnlijk, Phèdre van Racine.

„Maar het kan zijn dat ik overschakel op Euripides, want in Racine zit geen koor en een Griekse tragedie zonder koor – nee. Ik houd van stemmen. Het is niet voor niets dat het grootste deel van mijn oeuvre vocaal is. De stem is het ultieme instrument. Ik schrijf ook graag voor instrumenten. Ik ben zelf violist van origine, en dat heeft me zeker gevormd. Maar na zo’n instrumentaal werk verheug ik me er altijd op weer met een vocaal stuk verder te mogen.”

Naast het componeren is Penderecki ook dirigent, deze week is hij composer-in-residence op het Storioni Festival in Eindhoven. Het kost allemaal tijd die hij ook aan componeren zou kunnen besteden, beaamt hij. „Maar ik heb niet het idee dat ik van mijn ware werk word afgehouden. Dirigeren is mijn enige vorm van sport! En een componist hoort ook uitvoerder te zijn, vind ik. Dat is de natuurlijke weg. Bach en Mozart deden het niet anders.”