Dassenburcht uitroken? Ga je gang, zegt nieuwe natuurwet

De Nieuwe Natuurwet beschermt muizen op bouwterreinen, vergeet de kleine modderkruipers en moedigt verstoring van dierlijk leefgebied aan, stelt Dolf Logemann. Dat kan volgens hem niet de bedoeling zijn.

Beeld uit educatieve film van de overheid

De das, boommarter, gewone en grijze zeehond, orchideeën, eekhoorn, edelhert, adder, ringslang en nog een hele lijst minder aansprekende soorten worden in de huidige Flora- en faunawet beschermd.

In de nieuwe Natuurwet, waarin drie wetten worden samengevoegd (naast Flora- en faunawet, ook de Natuurbeschermingswet en de Boswet) genieten veel van deze soorten geen bescherming meer.

Nationaal beschermde soorten mogen niet worden gedood of gevangen, stelt de nieuwe wet, en hun leefgebieden mogen niet worden vernietigd. Maar verstoren mag voortaan wel, ook als dat opzettelijk gebeurt. Zo mag een dassenburcht niet worden vernietigd, maar een boer mag bij wijze van spreken wel naast de ingang net zo lang vuurwerk afsteken tot de das zijn burcht verlaat.

Ook voor vogels geldt dat opzettelijk verstoren voortaan mag, zolang de ‘gunstige staat van instandhouding’ niet in het geding is. Ekster- en kraaienhaters krijgen vrij spel, zolang ze nest en vogel niet beschadigen. Met roeken gaat het minder goed, maar het is voor een handhaver moeilijk te bewijzen dat verstoring van hun kolonies de instandhouding schaadt.

 

 

In de nieuwe wet vallen talloze dieren buiten de boot. Vissoorten als de kleine modderkruiper en bittervoorn worden niet meer genoemd en zijn dus vogelvrij. Ook veel planten en vlindersoorten genieten straks, buiten de algemene zorgplicht, geen enkele bescherming meer. Nu nog beschermde orchideeën, sleutelbloemen, blauwe zeedistel, parnassia en de zonnedauw mogen straks gewoon weer worden geplukt of uitgegraven.

Vreemd genoeg genieten juist algemene soorten als bruine kikker, gewone pad, bosmuis, huisspitsmuis, veldmuis en konijn straks weer volop bescherming, de drie muizen overigens alleen buiten erven en gebouwen. Hun leefgebieden mogen niet zonder ontheffing worden vernietigd. Dat betekent lange procedures voor diersoorten die vrijwel overal voorkomen.

Wat de wetgever bezielt om juist deze soorten toe te voegen is mij onduidelijk. Eenzelfde situatie werd tien jaar geleden juist teruggedraaid omdat het in de praktijk onwerkbaar was. Draagvlak voor natuurbescherming wordt hiermee ondergraven. De nieuwe wet vereist bovendien dat plannen die mogelijk schadelijk zijn voor deze soorten alleen mogen doorgaan als er geen ‘andere bevredigende oplossing’ is.

Voor echt bijzondere soorten als ringslang of grote vuurvlinder wellicht een redelijke eis, maar voor algemene soorten als de veldmuis of bruine kikker nauwelijks werkbaar. De ruimte voor oplossingen met een hoge mate van maatschappelijke consensus zal er sterk door worden ingeperkt, want de Natuurwet kent dergelijke argumenten niet. Ruimtelijke projecten krijgen hiermee bizarre plotwendingen door vonnissen die juridisch kloppen, maar niet bijdragen aan natuurbescherming of begrip ervoor. De nieuwe Natuurwet speelt mensen in de kaart die natuurbescherming onzin vinden en voor eigen rechter willen spelen bij dieren die zij als ‘lastig’ ervaren. De klok voor de soortenbescherming wordt hiermee een flink aantal jaren terug gezet. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?