Altijd op zoek naar nieuwe landschappen

In Foam opent de eerste grote museale solotentoonstelling van Awoiska van der Molen. Een landschap is voor haar een plek waar ze zich afzondert. „Het is belangrijk dat ik mij verloren voel.”

In het atelier van fotografe Awoiska van der Molen staan wasdroogrekjes met kleine afdrukken. Van bossen, bergen, eilandjes. In zwart-wit, mysterieus, verstild. Tegen de wand staan metersgrote afdrukken van haar monochrome landschapsfoto’s. Haar werkruimte is een half klaslokaal in een voormalige technische school in Amsterdam-West. De foto’s zijn gemaakt in Japan, Spanje en in de Alpen, maar de werken hangen door elkaar. „Het is niet zozeer van belang in welk land ik deze gefotografeerd heb”, zegt ze.

Op haar werktafel heeft ze haar eerste boek Sequester klaargelegd, dat in 2014 door de Britse krant The Guardian werd uitgeroepen tot fotoboek van het jaar. Het boek toont 24 foto’s van verstilde wouden en berglandschappen. Donkere foto’s waarin details oplichten, van menselijke aanwezigheid is niets te zien. Terwijl ze door het boek bladert, zegt ze: „Sommige mensen denken dat ik alleen ’s nachts fotografeer, maar dat is niet het geval.”

Het gaat plotseling hard met Awoiska van der Molen. Vorig najaar werd de 43-jarige fotografe als een van de grote talenten aangeprezen op fotobeurs Unseen. Morgen opent haar eerste grote museale solotentoonstelling Blanco in FOAM, met werken vanaf 2009 tot nu. In februari heeft ze een expositie bij haar galerie Purdy Hicks in Londen, om de hoek van Tate Modern. En in mei laat haar Belgische galerie Kristof De Clercq haar werk zien.

Voor ze over haar werk begint te vertellen pakt Van der Molen haar smartphone en toont ze een jeugdfoto. Een meisje van een jaar of vier zit op haar hurken, naast een rots in hoog gras. „Een paar weken geleden vond ik deze foto weer. Die laat alles al zien waar ik later naar op zoek ben gegaan”, zegt ze.

„In mijn jeugd gingen we altijd wildkamperen, naar de bergen, te midden van de natuur, weg van de bewoonde wereld. Dat zit in de familie. Mijn grootvader heeft in de Harz een hartaanval in de sneeuw gekregen. Voor hem kon ik me geen mooiere dood voorstellen.”

Even eerder geeft ze aan dat ze het niet altijd eenvoudig vindt om over haar fotografie te vertellen. Ze heeft foto’s en boeken klaargelegd om haar woorden te illustreren en pakt een boek waarvan de kaft beduimeld is: Ten Oosten van de Zon, Ten Westen van de Maan. Een Noors sprookjesboek met illustraties in art-nouveaustijl van Kaj Nielsen. Op de achterkant zit een meisje op haar knieën in een woud bij een rots. „Ik werd door die afbeelding gegrepen toen ik een jaar of twintig was. Dat beeld van mezelf als meisje moet zich in mij vastgezet hebben. Ik heb dat ervaren als een plek waar het goed was. Ik wil aanlanden in het landschap.”

Ze had niet gedacht kunstenaar te worden, vertelt ze. „Mijn moeder en mijn opa waren beide schilders. Ik wilde een andere kant op.” Ze begon met een architectuuropleiding op de Academie Minerva in Groningen. „Ik vond daar het eerste jaar al niet mijn draai. Maar ik was koppig en ik heb het drie jaar volgehouden.”

Toch naar de kunstacademie

Daarna nam ze een rustjaar en deed ze in een wijkcentrum een fotocursus. „Ik ontdekte dat ik in fotografie mijn fantasie kwijt kon.” Ze ging terug naar Minerva en studeerde er fotografie en ging daarna naar de Sint Joost in Breda. „In Breda was een docent die indringend de vraag stelde wat mij fascineerde. Die vraag ben ik me daarna blijven stellen. Via allerlei onderwerpen heb ik greep gekregen op dat waar ik naar verlangde.”

Tijdens haar opleiding maakte ze nog portretten. Van plattelandsjongeren in Noordoost-Groningen, van vrouwen in New York, van Duitse werklieden die een zeventiende-eeuws schip restaureerden. „Na de New Yorkse vrouwen en de jongeren begon ik me af te vragen waarom ik deze mensen eigenlijk wilde portretteren. Wat zei dat nu over mij? Het fotograferen van die werklieden was een cruciaal moment. Zij liepen mijn geïmproviseerde studiootje in een houten keet binnen, gingen zitten en het maakte hen niet uit hoe ze op de foto kwamen. ‘Zonder ijdelheid, stoïcijns, niet aangeraakt door invloeden van buitenaf’, schreef ik na afloop in mijn notitieboekje.”

Na het maken van portretten ging ze stadsgezichten fotograferen. Ze haalt een doos van een tussenverdieping, haar opslag. Op de foto’s van gebouwen komen nauwelijks mensen voor.

„Met het fotograferen van deze bouwsels zocht ik naar hetzelfde stoïcijnse dat ik zocht in portretten. Het was voor mij toentertijd duidelijk een proces naar een volgende stap, al wist ik nog niet welke. De laatste foto uit de stadsserie gaf me eindelijk duidelijkheid.”

Ze wijst op een foto die tegen de wand staat: een vervallen huis achter een ruwe schutting. Op de voorgrond vraagt een afgrond van zwarte aarde om de aandacht. „Dit is een sleutelwerk. Die zwarte aarde is een jaar door mijn hoofd blijven dansen. En toen werd het duidelijk. Daar moest ik heen, op zoek naar die zwarte aarde, het landschap in.”

Op zoek naar de stilte, noemt ze het. „Hiervoor moest ik weg uit Nederland. Er zijn hier te veel prikkels voor mij en te weinig wildernis.” Ze ging eerst naar Sicilië. „En dan oversteken. Doel: de Stromboli. Maar ik had me niet goed voorbereid en wist niet dat je enkel met een gids en een groep toeristen de vulkaan mag beklimmen. Dat was het niet.”

Ze vertrok in de winter naar het uiterste noorden van Noorwegen. „Daar was het alleen maar nacht. Ik dacht dat het praktisch was, omdat ik daar hele dagen zou kunnen werken, maar ik kwam er ook achter dat het gebrek aan daglicht mij passief maakte. Pas daarna ontdekte ik dat het niet donker hoeft te zijn om de stilte te vinden.”

Ze gaat er vaak drie weken op uit en zoekt dan volledige afzondering. Ze slaapt vaak in haar eigen auto en mijdt contact met andere mensen. „Ik ga niet uit eten, ik kook mijn eigen maaltijden op een primusbrandertje.” Ze maakt lange wandelingen door het gebied. „Als je langere tijd alleen bent, dwalende in het landschap, ver weg van alle rompslomp, dan gebeurt er iets met je. Het is meditatief, de ontmoeting met het landschap is ook een ontmoeting met jezelf. Het kan zijn dat ik een dag mijn camera niet eens uit de tas haal. Dat ik lang rondloop zonder dat er iets bijzonders gebeurt. Het is belangrijk dat ik mij verloren voel.”

Ze pakt een foto van een berglandschap, een weids uitzicht met meerdere pieken. Haar lange slanke handen zweven langs het silhouet van de bergen. „Je kunt er bijna fluweel of een stuk hout in zien. Maar toch zal ik ze zo nooit meer maken. Het landschap ligt daar wel mooi te zijn, maar dat roert mij niet meer als ik eenmaal de foto zie, het is te weids, ik wil er juist in. Voor mij is een landschap een territorium waar het hard werken is om er binnen te dringen.”

Rugzak

In een rugzak draagt ze op haar tochten haar camera mee. Een analoge Mamiya RZ, waar ze al tien jaar mee fotografeert. „Ik heb zelfs geen reservecamera bij me, ik ben zo aan deze gehecht. Dan is het pech als hij kapotgaat. Ik werk niet met een technische camera zoals veel mensen denken. Dan moet ik met mijn hoofd onder een doek, dan is het magische moment weg.” En digitaal? „Nee, dan zou ik direct het resultaat zien! Dat wil ik niet. Dan wordt mijn concentratie weggehaald bij het landschap en naar dat digitale schermpje getrokken. Ik wil in dat landschap blijven. Het resultaat doet er nog helemaal niet toe.”

Na haar reizen wacht ze vaak een aantal weken voor ze haar films ontwikkelt en afdrukken maakt. „Dan pas is er voor mij een nieuwe werkelijkheid. Als ik direct zou ontwikkelen, is het toch alsof ik digitaal zou werken. Ik wil respect voor het landschap hebben.”

Eerst maakte ze kleine afdrukken op barietpapier. „Zo leer ik wat ik met het negatief kan doen. Ik probeer ze al perfect te maken.” Daarna maakt ze pas haar grote diepzwarte afdrukken, ook op bariet. Soms werkt ze deze met een penseeltje heel voorzichtig bij. „Ik zit dan dagen in de doka. Weer terug op mezelf, weer terug in het landschap.”

Wat ze precies in die landschappen zoekt, kan ze zelf ook niet helemaal duiden. „Ik denk niet na over het sublieme, over het goddelijke”, zegt ze. „Misschien zou ik daar meer over moeten lezen. Maar waarom eigenlijk? Ik hoef het niet allemaal te begrijpen.”