Column

Als olie er straks minder toe doet

Hoe zou het toch zijn met de aanhangers van ‘peak oil’? Dat is de theorie die ervan uitgaat dat de wereldolieproductie haar hoogtepunt heeft gehad en de winning alleen maar minder wordt. Rond ‘peak oil’ zijn altijd hevige discussies geweest, die voornamelijk gingen over de hoeveelheid oliereserves die er nog zijn. Hoe lager die reserves, hoe hoger de olieprijs zou worden. Tot aan onbetaalbaarheid toe.

De geschiedenis leek de ‘peakers’ gelijk te geven, tot de zomer van 2008, toen de prijs opliep tot 147 dollar per vat en analisten al hardop nadachten over 200 dollar. Zelfs dat najaar, toen de crisis zorgde voor een ongekende prijsdaling naar onder 40 dollar, voorzag het Internationaal Energie Agentschap (IEA) dat de wereldwijde olieproductie na 2010 zou dalen. Puntje voor ‘peak oil’. Tot 2030 was er volgens het IEA een risico voor een prijsexplosie.

Inmiddels staat de olieprijs door teruglopende Chinese vraag, de opkomst van schalieolie in de VS, een door de Saoediërs ontketende prijzenslag onder producenten en de terugkeer van Iran op de oliemarkt, op 30 dollar.

Voorspellers hebben het moeilijk. Het Centraal Planbureau ging in december nog uit van een gemiddelde olieprijs van 50 dollar per vat in 2016. Dat leek toen buitengewoon redelijk. Maar nu, een maand later? 30 lijkt veilig. Maar gezien de beweeglijkheid van de prijs kan het over een jaar 10 dollar zijn, of 100. Niemand die ’t weet.

Westerse economieën zijn intussen minder afhankelijk van energie. Vergeleken met 1990 wordt er nu in Nederland per geproduceerde eenheid bruto binnenlands product de helft minder van gebruikt. Energieonderzoek Centrum Nederland voorziet dat we in 2030 dezelfde hoeveelheid energie nodig hebben als nu, zelfs iets minder. Dat betekent dat we dan, bij een gangbare economische groei, nóg eens een kwart minder energie per eenheid bbp nodig hebben. Ga er vervolgens van uit dat alternatieve energie tegen die tijd in 20 procent van de behoefte voorziet (een bedroevend lage aanname trouwens) en de afhankelijkheid van olie daalt nog verder.

En de producenten? Voor burgers in die landen is olie een zegen en een vloek. Ja, de welvaart stijgt erdoor. Maar de verwaarlozing van andere activiteiten ook – de gevreesde Hollandse ziekte, die kan leiden tot een grotere welvaartsachterstand dan de welvaartssprong die olie ogenschijnlijk tot gevolg had.

Een staat die de olie-inkomsten incasseert en vervolgens herverdeelt over zijn cliënten is een levend bouwpakket voor autocratie, corruptie en nepotisme. De eenvoudige inkomsten uit olie maken de behoefte tot een effectieve belastingheffing minder acuut. En een bevolking die weinig of geen belasting betaalt voelt zich minder betrokken bij en verantwoordelijk voor het landsbestuur en de politiek. No representation without taxation.

Het is dus eigenlijk te hopen dat de ‘peak oilers’, ondanks zichzelf, alsnog een soort gelijk krijgen: dat de piek inderdaad voorbij is. De neergang van olie is gunstig. Voor de inwoners van olielanden, voor het milieu, voor de inwoners van consumerende landen en wellicht ook voor het internationale politieke klimaat. Denk je eens in hoe het Midden-Oosten er zou uitzien zonder olie en mét een florerende, inclusieve industrie- en dienstensector. En een zelfbewuste middenklasse.