Zij riskeert alles voor een foto

Lynsey Addario (42) zocht met haar camera het avontuur. Dat heeft ze gekregen. Zo werd ze zes dagen gegijzeld in Libië. „Nu begrijp ik de willekeur van de dood.” 

Lynsey Addario in Libië (2011) vlak voor haar gijzeling. Foto John Moore/Getty Images

‘Hoe vaak ben je bijna doodgegaan?’ ‘Ben je een adrenalinejunkie?’ Het zijn vragen die de Amerikaanse fotojournalist Lynsey Addario (42) telkens opnieuw moet beantwoorden. Soms wordt ze daar tureluurs van. „Mensen willen mijn leven reduceren tot een paar levensgevaarlijke momenten. Maar er zijn heel wat redenen om een oorlog te verslaan, het gaat heus niet alleen om de sensatie.”

Wie wat meer weet over de kleine, donkerharige fotografe – Addario is 1 meter 55 – kan wel begrijpen waar die vragen vandaan komen. Sinds Addario in 1996 op de bonnefooi begon, fotografeerde ze seksueel misbruikte vrouwen in Congo, overleefde ze in Pakistan een zwaar auto-ongeluk, verbleef ze met het Amerikaanse leger in de levensgevaarlijke Korengal-vallei in Afghanistan, werd ze in Libië gegijzeld door soldaten van Gaddafi en rende ze, zeven maanden zwanger, met haar camera’s door een menigte in Gaza.

In Dit is wat ik doe, haar autobiografische bestseller uit 2015 die deze week in Nederlandse vertaling verschijnt en wordt verfilmd door Steven Spielberg, schrijft Addario over haar leven en werk in conflictgebieden. Het boek beschrijft niet alleen de gebeurtenissen aan het front, het gaat ook uitgebreid in op de persoonlijke offers en ontberingen die haar werk met zich meebrengt. Want hoe houdt een vrouw zich staande in de keiharde machismowereld van de oorlogsjournalistiek? En wie wil een vaste relatie met een vrouw die, bij iedere wereldgebeurtenis, haar camera pakt en het vliegtuig inspringt?

Afghanistan onder het Talibaanbewind, 2000.

Wacht maar drie maanden op me

Addario, elegant in het wit gekleed, doet er in een café in Perpignan in Zuid-Frankrijk een beetje lacherig over. „Het is voor een vrouw nog steeds heel wat om tegen een man te zeggen: wacht drie maanden op me tot ik weer thuis ben. Maar een vrouw die thuis blijft wachten op haar man? Dat wordt heel normaal gevonden.”

Addario, afkomstig uit een Italiaans-Amerikaanse kappersfamilie uit Connecticut, begon als freelance nieuwsfotograaf voor de Buenos Aires Herald. Tijdens een expositie in de Argentijnse hoofdstad zag ze voor het eerst het werk van de Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado. „Grote zwart-witafdrukken van straatarme arbeiders overal ter wereld. Ik besloot ter plekke dat ik fotojournalist wilde worden.” De camera bood haar het excuus om het avontuur op te zoeken. Maar kort na de aanslagen op 11 september 2001 veranderde haar houding. Ze vertrok naar Pakistan en Afghanistan en beleefde in 2003 de Amerikaanse inval in Irak van nabij. „Ik begon in te zien dat fotografie invloed kan hebben op burgers en beleidsmakers. President Bush sprak in 2003 over ‘het bevrijden van Irak’, maar wij journalisten zagen ter plekke hoe, in de maanden nadat Saddam was afgezet, het land uiteenviel en alles in chaos ontaardde.”

In haar boek beschrijft ze hoe in die tijd een nieuwe generatie westerse oorlogscorrespondenten opstond – onder wie Tyler Hicks, Paolo Pellegrin en João Silva – die het als hun plicht zagen om de gevolgen van de war on terror te documenteren. „Amerika en Groot-Brittannië waren de oorlog begonnen onder valse voorwendselen, ook ik was destijds ervan overtuigd dat Saddam in het bezit was van massavernietigingswapens. Achteraf konden we niet geloven dat we belogen waren. We zijn allemaal gedesillusioneerd uit dat gebied gekomen.”

Syrische vluchteling bij het dorp Qaa in Libanon, januari 2013. Lynsey Addario, The New York Times

Een soort derde sekse

In diezelfde periode ontdekte Addario dat ze als vrouw in conflictgebieden een uitzonderlijke positie had. Voor 9/11 had ze in Afghanistan al een keer een fotoreportage gemaakt over vrouwen onder het Talibaanbewind. In 2001 maakte ze in Pakistan een reportage over vrome Pakistaanse vrouwen in vrouwenmadrassa’s (religieuze scholen) die haar vertelden over hun openlijke haat jegens de VS. Het werd haar grote doorbraak: The New York Times Magazine plaatste de fotoserie met haar interviews, getiteld ‘Jihad’s Women’. „In de conservatieve Arabische landen mag je als man niet zomaar een huis betreden, maar voor een westerse vrouw gelden andere regels. Je bent een soort derde sekse. Ik kan zowel de mannen- als vrouwenwereld betreden, dat is een privilege.”

Maar loopt ze juist als vrouw niet ook extra gevaar? „Tuurlijk.” Ze gooit haar lange haren naar achteren en vertelt hoe ze in Peshawar, tijdens een anti-Amerikaanse demonstratie, door tientallen betogers hardhandig in haar kont werd geknepen en in haar kruis werd betast. Ze bleef fotograferen, schreeuwde hardop ‘haram!’ (zondig!), en sloeg tenslotte een man hard met de lens van haar camera op zijn hoofd. Ze vluchtte naar de auto waar ze haar „mannelijke collega’s ontspannen achteroverleunend aantrof, hun blik gericht op de schermpjes van hun digitale camera’s om hun prijswinnende foto’s te bekijken”. Geen van hen had gemerkt wat ze had moeten doorstaan. Nuchter zegt Addario: „Ik maak daar geen punt van, we zijn allemaal bezig om de beste foto te scoren, maar het verschil is dat een man niet in zijn kont wordt geknepen en daar dus niet over hoeft na te denken. Ik ben me er altijd van bewust hoe ik me kleed en gedraag.”

Ze prijst zich gelukkig dat het in al die jaren is gebleven bij handtastelijkheden en dat ze nooit is verkracht. Ook tijdens een reportage over de Arabische Lente in Libië ontsprong ze de dans. In maart 2011 werd Addario in de buurt van Ajdabiya, samen met fotograaf Tyler Hicks en The New York Times-journalisten Anthony Shadid en Stephen Farrell, door soldaten van Gaddafi gekidnapt. Zes dagen lang leefde het viertal, gekneveld en geblinddoekt, in onzekerheid. „Door eerdere ervaringen in de moslimwereld wist ik dat ik me koest moest houden. In zo’n situatie doe je gewoon wat je wordt verteld, je vecht niet terug, je schreeuwt niet.” De mannen werden geslagen, Addario werd door soldaten betast. „Ik zei alleen: ik heb een echtgenoot en behoor een ander toe. Maar ik bleef maar denken: wanneer word ik verkracht? Ik had een paspoort en een bundel geld in mijn onderbroek, het is een wonder dat ze die niet hebben gevonden.”

Op de derde dag van de ontvoering werd Addario met de anderen naar Tripoli overgebracht, waar een tolk haar ineens vroeg of ze misschien ‘speciale vrouwenspullen’ nodig had. „Dat vond ik zo bizar. Dagenlang was ik mishandeld, ineens vroeg iemand of ik tampons wilde.” Ze legt uit dat haar lichaam altijd direct reageert op stresssituaties. „Ik menstrueer dan niet meer. Dat komt pas terug als ik weer ontspannen ben. Op dat soort momenten schiet mijn lichaam in de overlevingsstand.”

Na haar vrijlating ging Addario al snel weer aan het werk. Pas een maand later, toen het nieuws kwam dat fotojournalisten Chris Hondros en Tim Hetherington waren omgekomen bij een mortieraanval in Misratah, kreeg ze een inzinking. „Ineens besefte ik wat we hadden overleefd en begreep ik de willekeur van de dood. Toen ben ik gaan schrijven. Ik moest verwerken wat ik had meegemaakt. Ik heb letterlijk mijn geheugen gedownload.”

Kahindo (20), thuis in het dorp Kanyabayonga in Noord-Kivu, Oost-Congo, met haar twee door verkrachters verwekte kinderen, 2008.

Jennifer Lawrence in de hoofdrol

Het resultaat van die schrijfperiode werd Dit is wat ik doe. Dat het boek inmiddels zo’n succes is geworden – It’s What I Do stond vorig jaar vier weken in de bestsellerlijst van The New York Times en wordt nu verfilmd met in de hoofdrol Jennifer Lawrence – noemt ze een ‘groot compliment’. „Nadat ik de eerste versie had geschreven, was een aantal uitgevers geïnteresseerd. Maar ik had nooit gedacht dat zoveel mensen mijn memoires zouden lezen.” Ze noemt het wel even wennen: een film over haar leven. Maar na een etentje met Steven Spielberg was ze gerustgesteld. „Hij had mijn boek in een dag gelezen en stelde de juiste vragen. En, djeez, dit is wel Steven Spielberg!”

Toch voegt ze er, na een korte pauze, nog iets aan toe. „Een Hollywoodfilm is natuurlijk wat anders dan een documentaire, dus het zal mijn leven niet precies weergeven. Maar ik hoop wel dat het een eerlijk beeld geeft van wat een oorlogsfotograaf drijft. Het gaat niet alleen maar over adrenaline en romantiek. ”

Toch zal de speelfilm ongetwijfeld ook ingaan op Addario’s turbulente liefdesleven. Onder vrienden stond ze jarenlang bekend als een hartenbreker en iemand met bindingsangst. In Dit is wat ik doe beschrijft ze hoe de journalisten aan het front in een afgesloten adrenalinebubbel met elkaar leven en werken, met onafwendbare affaires als gevolg. Inmiddels is ze, na de nodige ongelukkige liefdes, ruim zes jaar getrouwd met Reuters-journalist Paul de Bendern met wie ze een zoon van vier heeft. „Hij is, net als ik, journalist en begrijpt wat ik doe en hoe ik in elkaar steek. Jaloezie speelt bij hem geen rol. Hij is ervan overtuigd dat het belangrijk is om je doel in het leven na te streven.”

Hun zoon Lukas werd in december 2011 geboren. Over die zwangerschap was Addario niet meteen onverdeeld gelukkig. Bang om haar carrière als internationaal fotojournaliste te moeten opofferen, ging ze, twee maanden zwanger, naar Senegal, ondanks het risico daar malaria op te lopen.

In de maanden daarna maakte ze een fotoreportage van hongerende vrouwen en kinderen in Somalië en met zeven maanden fotografeerde ze een gevangenenruil in Gaza. „Ik heb mijn zwangerschap een tijd lang verborgen gehouden voor collega’s. In de fotojournalistiek is de concurrentie groot. Ik was dan wel een bekend fotojournalist, toch bleef ik een freelancer. Gelukkig heeft The New York Times mij ondersteund en werk ik nog steeds voor ze.”

Nu ze moeder is, probeert ze om niet langer dan twee weken achtereen weg te blijven. Ook mijdt ze extreme brandhaarden. „Ik heb voorheen veel stervende kinderen gefotografeerd, nu zie ik mijn zoon daarin terug. Ik ben anders over sterfelijkheid gaan nadenken. Ik heb nooit de angst gehad dat mij iets zou overkomen, bij Lukas heb ik dat wel. Ik weet nu wat het betekent om iets te kunnen verliezen.”

Eind 2012 vertrok ze weer naar Noord-Irak om duizenden Syrische vluchtelingen te fotograferen die door Iraakse Koerden werden opgevangen. Bij het zien van het bijbelse tafereel van die voortschuifelende stroom vluchtelingen dacht ze: wéér een oorlog, de zoveelste, wéér een volk op de vlucht voor de angst en de dood. „Ik ga nu niet meer naar een oorlog vanwege de oorlog. Ik ga nog steeds naar gevaarlijk gebied, maar Paul en ik maken de beslissingen daarover samen. Ik ben een moeder en weet dat Paul erop vertrouwt dat ik niet dood wil. Maar ik ben ook journalist. Als ik dit werk niet doe, ben ik niet eerlijk naar mezelf. Dit is wie ik ben.”