Tijdgeest 

Laatst raakte ik in een discussie verzeild over Dmitri Sjostakovitsj. Mijn gesprekspartner vond zijn symfonieën niet zo goed, totaal overschat zelfs. We wisselden argumenten uit, maar werden het niet eens.

De discussie eindigde ongeveer zo: ja maar hé, hallo, wie schrijft er in 1937 nou nog zo’n ouderwetse symfonie terwijl Arnold Schönberg dan al lang zijn twaalftoonstechniek heeft uitgedokterd?

Ik denk dat we blij mogen zijn dat niet alle componisten zich aan de grillen van de mode hebben gehouden. Stel dat iedereen zich achter vernieuwers als Schönberg of Stravinsky had geschaard, hoeveel moois zouden we dan zijn misgelopen? 

Er zijn al genoeg verhalen over componisten die in de vorige eeuw in een existentiële crisis raakten door de zucht naar vernieuwing. Jean Sibelius (1865-1957), de Finse componist van zeven symfonieën, was in zijn tijd een wereldster wiens naam in films werd aangehaald. Maar terwijl dirigenten smeekten om een nieuwe symfonie, werd hij door de avant-garde als het toonbeeld van wansmaak gezien. Hij wist niet meer wat hij moest maken en na de jaren twintig schreef hij nauwelijks nog. De partituur van zijn onvoltooide Achtste symfonie verbrandde hij.

Ook Sergej Rachmaninov (1873-1943) wist zich geen raad met zijn tijd. De productie van de Rus, die onder meer vier pianoconcerten schreef, nam af na zijn emigratie in 1917, in de wetenschap dat zijn romantische idioom eigenlijk al gedateerd was. Nieuwe muzikale bewegingen hebben veel bijzonders opgeleverd, ze hebben ook veel geblokkeerd en afgeremd.

Merlijn Kerkhof schrijft iedere woensdag over de schoonheid van klassieke muziek. De genoemde stukken zijn te horen in de Spotify-playlist van Klassiek met Kerkhof: nrch.nl/3puf

Zou mijn gesprekspartner ook liever hebben gehad dat Richard Strauss (1864-1949) zijn Vier letzte Lieder nooit had geschreven? Strauss, zelf ooit een groot vernieuwer die opschudding veroorzaakte met grensverleggende opera’s, was 84 toen hij ze in 1948 componeerde. Het zijn op en top romantische stukken, totaal uit de tijd, ook toen al. Toch behoren deze orkestliederen tot de meest geliefde werken uit de klassieke muziek.

Wie zo’n vooruitgangsgeloof aanhangt, zal ook niets moeten hebben van Gabriel Fauré (1845-1924). De Fransman voltooide zijn Strijkkwartet in e-klein in zijn laatste levensjaar. Het is een fantastisch stuk in drie delen, zijn laatste compositie, een roerig, harmonisch complex werk dat blijft boeien. Maar het is lang niet zo radicaal als het dertig jaar oudere Strijkkwartet van zijn jongere tijdgenoot Claude Debussy. Foei, Fauré!

Je kunt mensen bewonderen om hun vernieuwingen, om de manier waarop ze de mode maken en naar hun hand zetten. Je kunt mensen ook bewonderen omdat ze lak hebben aan de tijdgeest, omdat ze maken wat ze willen maken. Want dat laatste levert niet per se mindere kunst op. Bepaald niet.