‘MH17-proces wordt erg lastig in Nederland’

Nederland wil de plegers van de aanslag op vlucht MH17 berechten. Dat lukt hier niet, zegt hoogleraar Ferdinandusse. 

Gedenkruimte op Schiphol voor de slachtoffers van rampvlucht MH17, 2014. Over de berechting van de daders vindt al lange tijd overleg plaats. Foto Robin Utrecht

De Nederlandse wet belemmert vervolging van de vermoedelijke daders van de aanslag op vlucht MH17 in Nederland. Willen ze in Nederland gestraft worden, dan moet de wet worden veranderd of er moeten aparte verdragen worden gesloten.

Dat stelt Ward Ferdinandusse, buitengewoon hoogleraar internationaal recht in Groningen. Hij sprak dinsdag zijn oratie uit, bij de aanvaarding van zijn ambt.

De daders van de aanslag worden gezocht in kringen van pro-Russische separatisten in Oost-Oekraïne. Het ligt voor de hand dat de verdachten worden berecht in één van de landen waaruit MH17-slachtoffers afkomstig zijn. Dat land moet daarvoor de zogenoemde ‘rechtsmacht’ krijgen. Over de berechting zijn besprekingen tussen de betrokken landen gaande.

Bij de ramp met vlucht MH17 in 2014 crashte een Boeing 777 van Malaysia Airlines boven het oosten van Oekraïne. Alle 298 inzittenden kwamen om, onder wie 196 Nederlanders. Nederland zou als land met veruit de meeste slachtoffers voor vervolging van de daders in aanmerking komen. Maar het Wetboek van Strafrecht staat overdracht van de rechtsmacht naar Nederland in de weg, aldus Ferdinandusse, in het dagelijks leven officier van justitie bij het landelijk parket in Rotterdam. Hij doelt op artikel 552y van dit wetboek. Dat bepaalt dat Nederland een verzoek tot overname van strafvervolging van een vreemdeling met een vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland altijd afwijst. Ferdinandusse: „Door de eigen wet is Nederland bij deze besprekingen in een zeer moeilijke positie gemanoeuvreerd. Het kan bij de besprekingen niet zeggen: kom maar hier, wij berechten de daders voor alle slachtoffers.”

Het Nederlandse kabinet had een voorkeur voor berechting door een tribunaal van de Verenigde Naties. Maar hierover sprak Rusland eerder zijn veto uit. Over de berechting vinden besprekingen plaats tussen de landen die bij de crash betrokken zijn. Nederland is voorzitter van het justitieel team dat strafrechtelijk onderzoek doet.

Het ministerie van Veiligheid en Justitie bestrijdt de opvatting van Ferdinandusse. „Niets staat een vervolging in de weg”, zegt een woordvoerder van minister Van der Steur (VVD). „Er zijn twee keuzes: vervolging door een tribunaal, of vervolging door Nederland. Daarover is nog niets besloten.” Volgens de woordvoerder hindert het betreffende wetsartikel vervolging niet. Wel ligt er een wetsvoorstel bij de Raad van State om dit artikel te schrappen. „Dat was een langgekoesterde wens.” 

Berechting van de MH17-daders door een tribunaal zonder een mandaat van de Verenigde Naties is volgens de hoogleraar weinig kansrijk. „Zonder mandaat van de Veiligheidsraad zijn landen niet verplicht rechtshulp te geven. Dan zul je er verdragen mee moeten sluiten. Maar niet alle landen willen dat. Of ze moeten nieuwe wetgeving implementeren. Maar niet alle landen zijn daar snel mee.”

Een alternatief, berechting door het Internationaal Strafhof in Den Haag, ligt „niet voor de hand”, stelt Ferdinandusse. Het is immers maar de vraag of het burgertoestel opzettelijk is neergeschoten. Mogelijk dachten de daders dat het een militair vliegtuig was. Dan zou het geen oorlogsmisdrijf zijn, maar moord. En over zulke ‘gewone’ misdrijven heeft het strafhof geen rechtsmacht. En berechting in Oekraïne, het land waar de crash met MH17 plaatsvond? „Daarover wil en kan ik mij niet uitlaten.”

Alle reden voor Nederland om zélf de regels voor rechtshulp te wijzigen, aldus Ferdinandusse. Het Nederlandse systeem van rechtshulp aan het buitenland kent veel „overbodige beperkingen” en „onnodig veel obstakels”, zo stelt de hoogleraar in zijn oratie. In zijn ogen sluit het onvoldoende aan bij het internationaal recht, dat steeds vaker verplichtingen oplegt voor het verzoeken of verlenen van rechtshulp. „We kunnen gerust zeggen dat de Nederlandse wetgever op het gebied van de rechtshulp al lange tijd een verrassend minimalistische blik heeft voor een land dat zich graag laat voorstaan op zijn historische rol in het internationaal recht.”