Column

Koningspoedel

Sinds de geboorte van de dochter werkte ik regelmatig in café Frankendael, een naast de Oosterbegraafplaats in Amsterdam gelegen uitspanning waar ze de koffie met borrelglaasje slagroom serveren. Het gebeurde nogal eens dat ik daar uit mijn concentratie werd gehaald door nabestaanden die zojuist een dierbare hadden begraven. Ik had ongewild al van alles meegemaakt: van familieruzies en schaamteloos geroddel over de dode tot vriendengroepen die elkaar vonden in het verdriet en niets anders wisten te bedenken dan het op een zuipen te zetten.

Een paar dagen geleden streek er een groep van vijftien personen neer. Er werden tafels aan elkaar geschoven en de gesprekken gingen over het onvermijdelijke, waarbij de clichés niet werden geschuwd.

„Het is goddank geen lijdensweg geworden”, zei een vrouw met een korte, roodgeverfde coupe.

„Ze heeft een mooi leven gehad”, vulde haar buurman aan.

En zo ging dat maar door, totdat een gezette man in een gekreukeld kostuum met een lepeltje tegen zijn koffiekopje tikte.

„Wat doen we met Bruce?”, vroeg hij.

Niemand zei iets.

Er waren er die even door het raam naar het terras buiten keken, waar Bruce, een witte koningspoedel, tevreden achter een bak met water zat.

De man herhaalde de vraag.

„Wat doen we met Bruce? Truus zou niet gewild hebben dat hij naar een asiel werd gebracht.”

Iemand zei dat hij het altijd al ‘een vies beest’ had gevonden, een ander bracht het niet te negeren argument in dat hij allergisch voor huisdieren was, maar allemaal vonden ze wel dat er een andere oplossing dan ‘het asiel’ moest komen.

De discussie werd soms met overslaande stem gevoerd. Over de overledene had niemand het meer. Na een half uur, de eersten kondigden aan dat ze weg wilden, werd besloten om te loten. Bij de bar werd een notitieblok gevraagd, waarna ze allemaal hun naam op een briefje schreven. De briefjes gingen in een plastic tas, waarna aan een mevrouw aan een aanpalend tafeltje werd gevraagd om er een prop papier uit te vissen.

„Jos”, zei ze.

Jos bleek een moeilijk lopende man op leeftijd.

Even later ging Jos. Er waren er die daarna opgelucht nog een drankje bestelden.

Ze zagen door het raam hoe hij moeilijk bukkend de koningspoedel losmaakte en hoe ze daarna samen naar zijn gehandicaptenwagentje liepen. De hond sprong erin alsof hij wel blij was met deze oplossing, waarna het karretje langzaam het fietspad naast de Middenweg afreed.

„Die Jos”, zei een van de achterblijvers. „Met een beetje pech zitten we hier over een maand weer te loten.”