Dít is de vraag: schond het ‘lek’ in commissie-stiekem staatsbelang?

Vandaag komt de Kamercommissie die onderzoek deed naar het schenden van de geheimhouding van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (‘commissie-stiekem’) met haar bevindingen.

Foto’s ANP

De crux kan vandaag zomaar dit zinnetje uit de wet, die stamt uit april 1855, blijken te zijn: „De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.” 

Want of werkelijk sprake was van schenden van het belang van de staat bij het lekken uit de commissie-stiekem, dat betwijfelen de meeste politici in de wandelgangen. Woensdag komt de commissie die in opdracht van de Tweede Kamer onderzoek deed naar het schenden van de geheimhouding van die commissie-stiekem met haar bevindingen.

Waar gaat dit ook alweer om: in maart 2014 deed de voorzitter van die commissie, VVD’er Halbe Zijlstra, aangifte van het schenden van de geheimhoudplicht. NRC schreef namelijk op 18 februari 2014 wat er in twee vergaderingen van die commissie was besproken, die van 12 december 2013 en 5 februari 2014. In die commissie bespreken de fractievoorzitters van de Tweede Kamer in vertrouwen het werk van de inlichtingendiensten.

Het onderwerp van gesprek lag destijds politiek supergevoelig: de vraag was of minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) de Tweede Kamer wel of niet had geïnformeerd over zijn onjuiste uitspraken over het verzamelen van telefoondata.

Zijlstra’s aangifte kwam in november vorig jaar terug bij de Tweede Kamer. W ant het Openbaar Ministerie besloot – na achttien maanden en pas nadat via De Telegraaf was uitgelekt dát zulk onderzoek liep – dat het hier mogelijk om een ambtsmisdrijf van een of meer Tweede Kamerleden ging. Dat valt buiten de onderzoeksbevoegdheden van het OM.

„Eén of meer leden” van de commissie-stiekem waren volgens het OM „in beeld” gekomen. Het dossier ging richting het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer, dat besloot een onderzoekscommissie in te stellen. Die commissie had als opdracht om te onderzoeken of er „genoegzame gronden tot vervolging” bestaan en dus zijn er vandaag grofweg drie uitkomsten mogelijk.

1. Vervolging moet

Hoogleraar staatsrecht Wim Voermans was bang dat de onderzoekscommissie aan het „huisdokteren zou slaan” en het enquêterecht zou gebruiken om zelf hun fractievoorzitters onder ede te horen. „Verdachten hebben in Nederland rechten, die hadden bij zulke verhoren onder druk gestaan. Maar het lijkt erop dat ze daarvan zijn weggebleven. Dat is winst.”

Het dossier van het Openbaar Ministerie moet „vlees op de botten hebben”, zegt Voermans, wil de commissie adviseren om tot vervolging over te gaan. „Als daarin staat wie er met NRC heeft gebeld en dát het in die gesprekken over de belgegevens van Plasterk is gegaan, ja, dan spreek je over een delict. Alles minder dan dat lijkt me onvoldoende.” Het OM had „belgegevens onderzocht” van meerdere leden van de commissie-stiekem, maar zegt dat er geen telefoons zijn getapt.

Als de commissie tot verdere vervolging adviseert, kan het niet anders dan dat de naam of namen van de verdachten naar buiten komen en dat die schade oplopen. De zaak zou bij de Hoge Raad dienen en volgens een woordvoerder van de Hoge Raad zijn de regels zo dat die zittingen in het openbaar plaatsvinden. En het besluit tot vervolging moet volgens de wet ook „een nauwkeurige aanduiding van de feiten bevatten waarop de beschuldiging rust”. De Tweede Kamer kan dus geen vage opdracht aan de Hoge Raad doorsturen.

2. Geen vervolging

De commissie kan het dossier van het Openbaar Ministerie te dun vinden. Tot nu toe is nooit helder geworden wat het OM precies bedoelt met de opmerking dat één of meer leden „in beeld zijn” gekomen. In beeld zijn is toch iets wezenlijk anders dan verdacht zijn. Of de commissie kan oordelen dat de feiten, getoetst aan „het recht, billijkheid, zedelijkheid en het staatsbelang” zoals dus in de wet staat, niet zwaar genoeg wegen voor vervolging.

Richting NRC was de commissie in elk geval realistisch. De redacteur die het stuk in 2014 schreef, ontving op 23 december vorig jaar een briefje van commissievoorzitter Carola Schouten (ChristenUnie). Het bevat niet meer dan vijf zinnen, met als kern dit: „Bent u bereid uw bronnen prijs te geven ten behoeve van het onderzoek van de commissie? De commissie is zich bewust van het feit dat u een verschoningsrecht heeft.” Daarop beroept hij zich dus ook.

Als de commissie adviseert om niet tot vervolging over te gaan, is de publieke opinie het grootste risico: kijk, daar in Den Haag houden ze elkaar weer eens de hand boven het hoofd. Maar zulke ergernis kan ook weer snel wegzakken. 

3. Geen duidelijk verhaal

Geen waarschijnlijke optie, maar het is theoretisch natuurlijk mogelijk dat de onderzoekscommissie onderling zódanig van mening verschilt, dat haar verslag geen concrete aanbeveling bevat. Dan moet de Tweede Kamer daar alsnog over beslissen, in het debat dat hoe dan ook over dit verslag komt. Dat besluit moet er uiterlijk 3 februari liggen, anders vervalt de aanklacht automatisch.

Waarschijnlijker is dat het verslag wel degelijk zo’n advies bevat en dat de rest van de Tweede Kamer dat overneemt. De commissie bestond uit leden van de zeven grootste fracties. Al hielden die zich gisteren stil. Eén van hen wilde nog net dit erover zeggen: „We hebben de wet, we hebben de opdracht van de Tweede Kamer en we hebben ons best gedaan.”