De beleggers zijn nu bang voor alles

Hoeveel onzekerheid kan het snelle geld nog aan? Oliecrisis, een wankel China, onzekere rentes en politieke risico’s: 2016 wordt een riskant beursjaar. 

Hij was meer dan welkom, de lichte stijging van de beurskoersen die dinsdag vrijwel wereldwijd plaatsvond. Maar er zullen nog veel van dit soort dagen nodig zijn om de slachting goed te maken waarmee 2016 begon. Zelfs nu nog staat de wereldwijde MSCI-beursindex 9 procent lager dan eind vorig jaar: aandelen verloren samen 3.320 miljard dollar aan waarde in wat al beschouwd wordt als de slechtste start van een beursjaar ooit.

Wat is er aan de hand? Beleggers wijzen op een complex van factoren dat zo uitgebreid is, dat de opsomming eerder wijst op grote verwarring dan op het begin van een analyse. Maar een samenhangend gevoel is er wel: 2016 wordt een buitengewoon riskant en onvoorspelbaar jaar.

Wat dat laatste betreft is olie het beste voorbeeld. De dramatische daling naar onder de 30 dollar per vat zou in principe goed moeten zijn voor de westerse economie. De inkomensoverdracht van westerse consumenten naar de olieproducerende landen wordt minder, en vergroot de koopkracht thuis. Maar waarom maakt de prijsdaling dan toch nerveus?

De Amerikaanse econoom Paul Krugman stelde vorige week dat een kleine prijsdaling van olie inderdaad het gebruikelijke positieve effect heeft. Maar een prijsval zoals nu, zorgt voor zo’n grote crisis bij de producenten dat het negatieve effect via de wereldhandel begint te overheersen. Beleggers nemen bovendien waar dat kapitaal van rijke families en staatsbeleggingsfondsen uit olielanden razendsnel wordt teruggetrokken, vanwege krapte thuis. De begrotingen, van Rusland tot Saoedi-Arabië, zijn berekend op een olieprijs die twee- tot driemaal zo hoog is als die van nu.

Uitstroom van westers geld

Daar komt bij dat met name in de Verenigde Staten er fors is geïnvesteerd (en geleend) door de schaliesector, die nu dus óók lijdt. En in normale tijden is het gebruikelijk dat de inflatie daalt door lagere olieprijzen, en westerse centrale banken hun rentes kunnen verlagen. Dat is positief. Maar de inflatie is juist al veel te laag, en een lagere rente kan niet meer.

De beslissing van de Amerikaanse centrale bank van december om de rente voor het eerst in acht jaar licht te verhogen vanaf nul, ziet er met terugwerkende kracht steeds voorbariger uit. Zeker omdat veel opkomende landen, en dan met name grondstoffenproducenten, door de lokkende Amerikaanse rente te maken hebben met de uitstroom van westers geld dat na de Lehman-crisis massaal naar hen toevloeide. Hun munten staan onder druk, hetgeen de terugbetaling van in dollars geleend geld alleen maar moeilijk maakt – een echo van de Aziëcrisis van 1997-1998.

Imago China brokkelt af

De teruglopende economische groei in China en de poging het land om te vormen van een industriële naar een diensteneconomie zijn voor een deel verantwoordelijk voor de gedaalde olieprijs. Maar de zorgen om China gaan verder: de schokken op de beurs van Shanghai van afgelopen zomer zorgden voor schrik op de markten. Maar het zonder enige waarschuwing laten dalen van de koers van de yuan heeft pas een echt trauma opgeleverd. Beleggers houden er rekening mee dat die daling nog niet ten einde is, en vrezen nog meer hardhandige en paniekerige ingrepen zoals die van afgelopen zomer.

De enorme reserves van de Chinese centrale bank lopen, mede door koerssteun aan de yuan, snel terug. En de veronderstelde almacht van het economische management door de Communistische Partij heeft een deuk opgelopen. Denk terug aan de jaren tachtig, toen het Japanse Ministry of Finance (MoF) en Ministry of International Trade and Investments (MITI) ook zo’n status hadden – tot ze stuurloos bleken in het aangezicht van de crisis.

Bedreigingen genoeg dus, in een wereldeconomie die snel aan vaart aan het verliezen is – al merken we daar in Europa nog weinig van. Het Internationale Monetaire Fonds bracht zijn prognose voor de mondiale economische groei gisteren terug van 3,4 procent naar 3,2 procent in 2016. Dat is al mager, maar andere instituten komen onder 3 procent uit.

Donald Trump als staartrisico

Politieke risico’s komen daar nog eens bovenop, en niet alleen in het Midden-Oosten en de Zuid-Chinese Zee. Beleggers vertellen dat een Brits ‘nee’ tegen de Europese Unie en de daaropvolgende ‘Brexit’ een reëel risico zijn, nog los van allerlei tekenen van de desintegratie van Europa dat zucht onder de vluchtelingencrisis en de opkomst van parijen aan de verre kanten van het politieke spectrum. En, verrassend: de race van Donald Trump in de Republikeinse voorverkiezingen wordt al lang niet meer weggelachen maar serieus genomen. Zelfs diens verkiezing tot Amerikaans president in november van dit jaar heeft het inmiddels geschopt tot een erkend ‘staartrisico’: onwaarschijnlijk, maar niet langer ondenkbaar.

Tegen deze achtergrond lijken de beurzen opeens duur. Volgens één vermaarde maatstaf, die is uitgevonden door Nobelprijswinnaar Robert Shiller, zijn Amerikaanse aandelen nu even duur als vlak vóór de financiële crisis van 2008. Larry Fink, de topman van Blackrock – een van de grootste beleggingstellingen ter wereld – zei vrijdag dat aandelen nog eens 10 procent kunnen dalen. Het is te hopen dat hij dat enkel zei om spoedig zelf op de bodem van de beurzen te kunnen gaan vissen.