Wat haalt die filosemiet nú weer in zijn hoofd?

Met zijn nieuwe roman wil Daan Heerma van Voss de diepte in. Hij vertelt het verhaal van een jonge filosemiet die de oorlog als ultieme morele toetssteen ziet. Dat levert vooral een lang en veelomvattend verhaal op.

Het monument van 102.000 stenen bij herinneringscentrum Kamp Westerbork.Foto Sake Elzinga

In 2013 publiceerde Daan Heerma van Voss, die volgende week dertig wordt, de roman De vergeting en een deel uit de erotische trilogie 25 45 70. In 2014 volgde de grote roman Het land 32 en vorig jaar de samen met zijn broer Thomas geschreven thriller Ultimatum, alsmede het mooie essay Een verlate reis. In de eerste week van 2016 verscheen alweer De laatste oorlog, waarmee Heerma van Voss zijn productie van de laatste paar jaar ruim voorbij de 1500 bladzijden brengt. Dat is nogal wat, vooral omdat hij niet alleen een veelschrijver wil zijn, maar ook de diepte in wil.

Daarvan getuigt De laatste oorlog van de eerste tot de laatste letter. Het boek gaat over een man in wie je met een beetje goede wil een hele generatie kunt zien: die van, kort door de bocht, het naoorlogs verzet. Te laat geboren om de bezetting meegemaakt te hebben, maar met de oorlog als ultieme morele toetssteen. Dat begint al bij de naam van de hoofdpersoon, Abel Kaplan. Dat is niet zijn oorspronkelijke naam, hij heeft de achternaam van zijn joodse ex-vrouw aangenomen, wat maar een van de aspecten is van zijn filosemitisme (‘de aardige buurman van de antisemiet’, schrijft Heerma van Voss terecht).

Net als de Kaplan uit de gelijknamige roman van Leon de Winter is deze Abel een schrijver met een writer’s block, die bovendien lijdt aan de betrekkingswaan waar De Winter ook wel van beschuldigd is. Heerma van Voss laat Kaplan stadse avonturen beleven die De Winteriaans aandoen. Dat geldt zeker voor de nachtelijke autotocht door Amsterdam waarop Kaplan een zwaarbewaakt schoolgebouw ontdekt. Daar worden, zo blijkt later, gevluchte Roma vastgehouden. Hij vreest voor hun leven en ontvoert een zigeunerjongen voor wie hij in zijn eigen appartement een onderduikplaats inricht. Het kind heeft geen idee wat het overkomt. Tegelijkertijd begint Kaplan aan een nieuw boek: de bewerking van het kampdagboek van de vader van zijn vriendin Judith. Buiten haar medeweten ‘verbetert’ hij de tekst, waarin hij ook belevenissen met de door hem als Abraham gedoopte Roma-jongen verwerkt. Hij wil het geheel als authentiek egodocument laten publiceren.

Islamitische school

Dat is al heel wat, maar in de honderd pagina’s voor de ‘onderduik’ is ook al verteld over Kaplans merkwaardige verhouding tot zijn succesvolle ex Eva, zijn werk op een islamitische school, waar een oud-politicus de baas is die bovendien de minnaar van Eva lijkt te zijn. Tussendoor stipt Heerma van Voss auteurs als Primo Levi en Binjamin Wilkomirski (die voor zichzelf een kampverleden verzon) aan.

De laatste oorlog is een roman die veelomvattend en belangrijk wil zijn – te veelomvattend. Want waar Heerma van Voss niet in slaagt, is om al die zaken overtuigend met elkaar te verbinden. De laatste oorlog is een opeenvolging van scènes, de een overtuigend, de ander minder – maar ondanks de aardige vondsten die erin opduiken, vormen die maar geen dwingend verhaal. Veel stukken hadden geschrapt kunnen worden zonder het geheel geweld aan te doen. Dat geldt misschien wel over het hele eerste deel, dat bovendien wemelt van de kunstmatige constructies. Neem Kaplans dienstverband op een islamitische school. Dat is nogal een stap voor een man die het liefst joods wil zijn (en zich islamkritisch opstelt). Vervolgens hebben de gebeurtenissen op die school weinig met de islam te maken, waardoor de hele constructie iets overbodigs krijgt. Het eerste deel van de roman is een soort warming-up voor de onderduikgeschiedenis, maar blijkt daar aan het eind van de rit maar weinig aan toegevoegd te hebben. Je kunt in De laatste oorlog eigenlijk ook heel goed op pagina 150 beginnen met lezen.

Seksdingetjes

De gekte van Kaplan – en het bijbehorende naïeve egocentrisme – wordt met nadruk getekend, maar de psychologie van de andere personages is verre van doorvoeld. Dat geldt met name voor de twee vrouwen, over wie Heerma van Voss slechts duidelijk weet te maken dat ze veel van Kaplan houden of hebben gehouden.

Daarbij komen nog wat seksdingetjes, die nodig zijn om een zotte episode aan het eind van de roman voor te bereiden. Tegen die tijd bekijk je de hoofdpersoon inmiddels met grote nonchalance: in verwonderde verwachting van wat hij zich nu weer in het hoofd zal halen. Dat is niet per se onprettig, maar blijft ver van de ernst waarmee het boek geschreven is. Er zitten voldoende elementen in De laatste oorlog die de basis zouden kunnen vormen van een goede roman over het naoorlogs verzet, maar dit boek is niet af. Om het een eerlijke kans te geven, had Heerma van Voss er in elk geval meer tijd voor moeten nemen.