Column

Oefenen

De Amerikaanse filosoof Daniel C. Dennett zei eens dat je door te spreken pas ontdekt wat je denkt. Gisteravond, tijdens een verjaardag, was iemand onafgebroken aan het ontdekken wat hij dacht. Wat begon als een beleefd heen-en-weer-gesprek mondde uit in een eenrichtingsklaagsalvo over hypotheken en ex-vriendinnen. Het was alsof hij een monoloog op me oefende, dat ik evengoed een lantarenpaal had kunnen zijn (al was ik eigenlijk liever een lantarenpaal geweest, die hebben geen oren). De enige uitweg was het veinzen van buikloop.

Op het toilet kwam ik op adem, en moest vanuit het niets opeens denken aan een jongen en een meisje die ik tijdens mijn studietijd had leren kennen. Alles deden ze samen: hardlopen, het kerstbal, de sauna. Op een gegeven moment vroeg ik het meisje of ze een relatie hadden. „Nee man!” griezelde ze, „We vinden het gewoon leuk om alles samen doen, we beschouwen het als een soort voorbereiding op relaties. Hij is mijn oefenvriendje!” Vanuit mijn ooghoek zag ik de jongen bleek en verliefd naar het meisje kijken.

Terwijl ik me afvroeg waarom ik opeens aan hen moest denken, trilde mijn mobiel. Berichtje van het thuisfront. Ik had mijn moeder die middag ge-smst of het normaal is dat we na onze dertigste bij het eerste dalen van het kwik last krijgen van onze schouders. Ik voelde daar flinke steken en wilde checken of dat een familiekwaal was of dat ik toch naar de dokter moest om me te laten testen op kanker. Mijn moeder smste me dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Gerustgesteld liep ik het toilet uit, verontschuldigde me bij de gastheer en ging op huis aan.

Onderweg dacht ik aan de hypotheekmonologist en het platonische setje. Soms lijkt het alsof we elkaar alleen maar gebruiken om te oefenen. Om door een gesprek te ontdekken dat we eigenlijk heel boos zijn op een ex die ons met een restschuld laat zitten. Of om middels een vriendschap warm te lopen voor de Grote Liefde. Zelfs ik oefende op mijn medemens: ik had mijn moeder alleen maar gesmst om erachter te komen hoe het met mijn lijf zat. Ik had niet eens gevraagd hoe het met haar ging maar haar gewoon als genetische bijsluiter gebruikt!

Op zich kon ik er wel mee leven dat de mens oefent op elkaar, in het, nou ja, mens-zijn. Maar wat als we het eenmaal hebben geleerd? Waar hebben we elkaar dan nog voor nodig? De gedachte deprimeerde me zo erg dat ik mijn beste vriend belde. Wat fijn, dacht ik, toen ik zijn vrolijke stem hoorde. Ik was zo blij hem aan de lijn te hebben, dat dat alleen maar kon betekenen dat ik nog lang niet uitgeoefend was. En besloot dat zolang de wereld bevolkt is met mensen als hij, ik nog lang niet af wil zijn.