Nederland bekommert zich niet om topvrouwen

Nederland doet niets om vrouwen in de top van het bedrijfsleven te krijgen. Overheid en bedrijfsleven zijn „volstrekt ongeloofwaardig”, schrijven Linda Senden en Mirella Visser.

Illustratie Hajo

Vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen van grote bedrijven zijn niet voor de sier bedoeld. De Wet Bestuur en Toezicht bevat niet voor niets het vrijwillige streefcijfer van minstens 30 procent. De publieke verontwaardiging over onverantwoorde beslissingen in bestuurskamers is groot. Een studie bevestigt opnieuw dat de vertegenwoordiging van vrouwen in positief verband staat met de belangrijkste bestuurstaken, waaronder toezicht en strategieontwikkeling. Voor de noodzakelijke versteviging van het toezicht op bedrijven is het daarom van groot belang dat alle wetsbepalingen, inclusief die over de vertegenwoordiging van vrouwen, serieus worden genomen. Maar daar schort het zowel op overheids- als op bedrijfsniveau ernstig aan.

De huidige aanpak kan namelijk vooral als symboolwetgeving worden getypeerd. Hoewel het streefcijfer per 31 december van dit jaar gerealiseerd had moeten zijn, is nog steeds maar één op de tien bestuurders en commissarissen vrouw. Dat had inmiddels één op de drie moeten zijn. Geen enkel bedrijf voldoet aan het streefcijfer. Bovendien legt meer dan 90 procent van de bedrijven in het jaarverslag niet of onvoldoende uit waarom het niet is gehaald. Ondanks de vernietigende analyse van de Monitoring Commissie van september toont de minister in haar reactie hierop vooral begrip voor het bedrijfsleven; dat komt nog steeds weg met het argument ‘we kunnen geen gekwalificeerde vrouwen vinden’. Haar voorstel is nu om deze symboolwetgeving met vier jaar te verlengen en daarbovenop de doelstelling te verlagen naar 20 procent. Daarmee worden bedrijven in feite beloond met een dubbele bonus op hun foute gedrag.

Zorgelijk is dat Nederland zich inmiddels niet alleen in de Europese achterhoede bevindt, maar ook nog eens vooruitgang in Europa blokkeert. Sinds 2012 wordt er onderhandeld over een EU-richtlijn die lidstaten verplicht om de ondervertegenwoordiging van vrouwen in raden van commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen aan te pakken. De richtlijn behelst een streefcijfer van 40 procent, maar legt ter realisering daarvan slechts een verplichting op lidstaten om bedrijven te stimuleren de procedures van werving en selectie aan te passen. Sancties staan op het niet voldoen aan die verplichting en niet op het niet behalen van het streefcijfer. Het Nederlandse parlement heeft een zogenaamde gele kaart uitgedeeld omdat zij de richtlijn in strijd vindt met het subsidiariteitsbeginsel: „De EU moet zich hier niet mee bemoeien want wij kunnen dat veel beter zelf op nationaal niveau regelen”. Ook de parlementen van Zweden en het Verenigd Koninkrijk deelden een gele kaart uit. Zij boeken echter wèl goede resultaten met hun zelfreguleringsaanpak. Inmiddels is 26,1 procent van de commissarissen in het Verenigd Koninkrijk (in de FTSE100, de index van de Financial Times Stock Exchange) vrouw en in Zweden is dat 25 procent.

Op de Raadsvergadering in Brussel op 7 december werd aanname van de richtlijn opnieuw mede door de Nederlandse minister van Sociale Zaken geblokkeerd, vanwege subsidiariteitsbezwaren en onder verwijzing naar de rol van de sociale partners. Dat is een nogal aanmatigende stellingname van onze eigen regering, gezien de bedroevende resultaten van de Nederlandse wetgeving.

De Europese Commissie heeft het dossier als een topprioriteit in haar werkprogramma opgenomen en vanaf januari is Nederland als EU-voorzitter aan zet om het dossier vlot te trekken. Daarvoor is geloofwaardigheid en eigenaarschap nodig, maar die zijn vooralsnog ver te zoeken. Zo bleek het ministerie van OC&W niet eens in staat acte de présence te geven op het internationale seminar Gender-Balanced Company Boards op 9 december aan de Universiteit Utrecht om het Nederlandse standpunt toe te lichten aan een breed en internationaal publiek. Ook de verantwoordelijkheid voor dit dossier is onduidelijk geregeld. De Wet Bestuur en Toezicht valt onder het ministerie van Veiligheid en Justitie, terwijl het emancipatiebeleid onder de minister van OC&W valt. Bovendien is het aantal ambtenaren dat deze specifieke materie beheerst bijzonder beperkt. Voor een onderwerp dat zo belangrijk is voor het versterken van de corporate governance in het bedrijfsleven en het benutten van het aanwezige vrouwelijke talent is het teleurstellend dat Nederland nog voor het aantreden als EU-voorzitter zijn geloofwaardigheid al had verloren. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat Nederland dit dossier inmiddels heeft doorgeschoven naar Malta, het volgende land in de rij voor het EU-voorzitterschap. De voortekenen voor een succesvolle afronding ervan zijn daarom vooralsnog niet positief.