Dikke kolenlagen ontstonden in grote bekkens in warme tropen

Lepidodendron, een plant uit het Carboon Tekening Eli Heimans

De vorming van uitzonderlijk dikke steenkoolpakketten tijdens het Carboon (359 - 299 miljoen jaar geleden) verliep niet volgens de heersende theorie, schrijven drie Amerikaanse geologen in het tijdschrift PNAS.

Duidelijk is dat steenkool op termijn ontstaat in warme moerassen en veengebieden, door de opeenstapeling en samenpersing van dood, slecht afgebroken plantenmateriaal. Maar waarom gebeurde dat in het Carboon, vernoemd naar de rijke steenkoolvoorraden die in deze tijd ontstonden, zoveel meer dan in andere geologische perioden? De gangbare theorie stelt dat veenplanten tijdelijk een evolutionaire voorsprong namen op belagende schimmels. Planten verstevigden hun celwanden met lignine. Op deze manier waren ze tegen afbraak beschermd, want het ontbrak schimmels toen nog aan een speciale klasse van lignine-afbrekende enzymen, de peroxidasen.

Maar, zo stellen de drie geologen, lignine is ook af te breken met andere enzymen dan alleen de peroxidasen, en die enzymen waren er tijdens het Carboon al wél. En nadat er schimmels met peroxidasen verschenen, ontstonden er soms nog steeds erg dikke steenkoollagen, zoals in China tijdens het Perm (299 - 252 miljoen jaar geleden).

De geologen verklaren de dikke steenkoollagen door de combinatie, tijdens het Carboon, van natte tropen waar in grote bekkens veel sedimentatie plaatsvond. Die bekkens ontstonden bij de gebergtevorming in de lange aanloop naar de vorming van supercontinent Pangea, 300 miljoen jaar geleden.