‘De arbeidsparticipatie van asielzoekers is 55 procent’

Dat zei hoogleraar Leo Lucassen in DWDD

Foto ANP

De aanleiding

Politiek commentator Sywert van Lienden betuigde woensdag in De Wereld Draait Door spijt voor het door elkaar gooien van cijfers over asielzoekers. Leo Lucassen, hoogleraar sociale geschiedenis (Universiteit Leiden) en directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, kwam uitleggen hoe het wel zit. Hij sprak onder meer over arbeidsparticipatie van statushouders die in de jaren 90 naar Nederland zijn gekomen. Hij zei: „Als je kijkt naar [...] hoeveel mensen een baan hebben, in ieder geval van een bepaald niveau, je vergelijkt dat met de gemiddelde Nederlander, dan [...] zit de arbeidsparticipatie op 55 procent. Voor ons is dat 70 procent.”

Waar is het op gebaseerd?

Lucassen baseerde zich in de uitzending op ‘Geen tijd verliezen’, een in december verschenen onderzoek over integratie van asielmigranten, van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).

En, klopt het?

„Geen slecht resultaat”, zei Lucassen in DWDD over de 55 procent arbeidsparticipatie van statushouders. Maar na Van Lienden kreeg ook hij her en der kritiek. Het genoemde rapport is namelijk alarmerend over de integratie van vluchtelingen. En klopten de cijfers van Lucassen wel?

De zogenoemde policy brief van de WRR begint met een samenvatting waarin staat dat „slechts een op de drie in Nederland verblijvende statushouders van 15-64 jaar” een betaalde baan heeft. Van de statushouders die van 1995 tot 1999 in Nederland zijn aangekomen, heeft 35 procent een baan van meer dan 30 uur. Als kleinere banen van meer dan 8 uur worden meegeteld, dan is het 55 procent.

Acht uur werken, staat dat voor arbeidsparticipatie? In veel onderzoeken is 12 uur daarvoor de grens, zo blijkt. „Het zou beter zijn geweest als ze die hadden aangehouden”, zegt Lucassen. „Nu kan het nog enkele procentpunten schelen.”

Het cijfer van één werkende per drie statushouders is geen bevinding uit het onderzoek, zegt Jaco Dagevos, bijzonder hoogleraar Integratie en Migratie (Erasmus Universiteit) en een van de auteurs. Het cijfer is genoemd omdat het in een Kamerbrief van minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) over participatie van asielzoekers staat. Het komt uit de IntegratieBarometer van Vluchtelingenwerk, zegt Dagevos.

Dagevos noemt de 55 procent van Lucassen „op zich niet onjuist”, maar de vergelijking met 70 procent arbeidsparticipatie van autochtone bevolking vindt hij niet gelukkig. „Je vergelijkt een uitsnede van de statushouders met het totaal van de autochtone bevolking. Maar de groep statushouders is natuurlijk ruimer dan degenen die tussen 1995 en 1999 naar Nederland zijn gekomen.”

Het lijkt Dagevos beter de arbeidsparticipatie van de totale vluchtelingengroep te vergelijken met die van alle autochtonen. „In de policy brief zijn dergelijke vergelijkingen gemaakt over arbeidsparticipatie, bijstand en armoede. Groepen zijn geïdentificeerd via het geboorteland van de ouders. Zo zitten bij de vluchtelingen ook de ‘nareizigers’ in de cijfers. Het beeld is somberder dan wat Lucassen schetst, Iraniërs uitgezonderd. Van de Irakezen en Afghanen heeft zo’n 40 procent betaald werk, van de Somaliërs een kwart.”

Conclusie

Lucassen stelde dat de arbeidsparticipatie van statushouders die tussen 1995 en 1999 naar Nederland zijn gekomen 55 procent is. Dat klopt volgens een onderzoek van drie adviesorganen, als ‘kleine’ banen zijn meegerekend. We beoordelen de stelling als grotendeels waar, al tonen de onderzoekers zich zorgelijk, omdat het totaalbeeld aanzienlijk ongunstiger is dan dat voor de groep die Lucassen noemde.