‘Wij klampten ons vast aan Tineke’

(42) verloor haar moeder toen ze tien was. Tientallen gezinsverzorgers hielden het gezin draaiende. „Als moeder heb ik altijd het gevoel dat ik een achterstand heb.”

Foto Sake Elzinga

Het jeugdtrauma van Eva Vriend (42) laat zich samenvatten in het beeld van een pot koude, donkere thee. Die thee zette haar vader als hij rond een uur of vier even pauze nam van zijn werk op de boerderij. Was Eva nog op school, dan dronk hij vast een kopje en liet daarna de pot op tafel staan. Tegen de tijd dat Eva thuiskwam, was haar vader aan het melken en was de thee koud en zwart. Ze was veertien jaar. Haar moeder was toen vier jaar dood.

Als ze in de winter thuiskwam en het buiten al donker werd, moest ze zelf thuis de lichten aan doen. Ze zag er de hele fietstocht van school naar huis – zo’n zestien kilometer door de winderige polder – tegenop. Broer Gert en zus Ida waren het huis al uit.

Eva’s moeder Ria had in 1978 kanker gekregen. Of ‘k’ zoals ze het zelf noemde – want over de ernst van de ziekte spraken ze thuis niet. Soms, als kinderen op school een opmerking maakten over het hoofddoekje dat Ria droeg om haar kale hoofd te verbergen, merkte Eva dat er iets met haar moeder aan de hand was.

Omdat Eva’s moeder door de ziekte niet voor haar gezin kon zorgen, kwam er een gezinsverzorgster, terwijl haar moeder er nota bene voor was opgeleid. In die tijd was dat een soort huishoudhulp-plus, die tijdelijk de rol van moeder overnam. Gezinsverzorgers hielden het huishouden draaiende, maar hadden ook een opvoedkundige taak en moesten tegelijkertijd zorgen voor een goede sfeer en gezelligheid in het gezin.

Hoe dat was? „Als een kraamverzorgster die voortdurend door je huis banjert, maar dan elke dag. Een vreemde die jou op de intiemste momenten en in alle staten aantreft en die overal in huis komt”, zegt Eva.

Ruim dertig vrouwen kwamen in tien jaar tijd voorbij. Anieta, Renske, Geeske, Anja, Yvonne... en Tineke, haar „lievelings”, met wie ze nu nog steeds contact heeft.

Maar een vervangende moeder was ze niet. Eva herinnert zich hoe ze op haar elfde bij haar heilige vormsel in de katholieke kerk alleen met haar vader naar voren moest. Terwijl alle andere kinderen met hun beide ouders voor het altaar stonden.

Hoe is dat voor een kind van elf?

„Dat was echt de hel. Als ik daar nu aan denk, of met vrienden over praat, voel ik weer die pijn en het verdriet. Ik word altijd heel boos als mensen zeggen dat kinderen zo flexibel en veerkrachtig zijn. Natuurlijk lijkt dat zo, want een kind past zich altijd aan. Maar je ouders zijn zo belangrijk, van hen ben je als kind zo ontzettend afhankelijk. Als een van je ouders wegvalt, dan voelt het alsof je tegen de grond wordt geslagen en elke confrontatie met die leegte is weer een nieuwe klap.”

Wat gebeurt er met dat kind als het ineens van iemand anders afhankelijk is? Of, in jullie geval, van een heleboel verschillende mensen?

„Dat was de grote vraag die ik mezelf ook heb gesteld. Tot mijn tiende had ik het niet zo door. Voordat mijn moeder overleed, hielden mijn ouders de gezinsverzorgers bij ons weg. Mijn moeder wilde zolang mogelijk zelf de controle over haar gezin houden. Ze dronken nog een kopje thee als we uit school kwamen en dan vertrokken ze weer. Na haar dood kwamen ze juist pas als wij uit school kwamen. De eerste was Tineke. We hebben ons aan haar vastgeklampt. Zij was lief en zorgzaam en cijferde zichzelf volledig weg.

„Ze was onze redding. Al denk ik dat we ons op dat moment aan iedereen hadden vastgeklampt. Dat is het ingewikkelde met kinderen: die zijn niet de hele dag verdrietig, ze huilen niet de hele dag, maar hebben wel iemand nodig die voor stabiliteit zorgt. Dat deed zij. Ons leven ging door dankzij haar.”

Wat deed ze dan?

„Ze zorgde dat het huishouden bleef draaien. Rust, reinheid en regelmaat. Ze schilde aardappels, maakte appelmoes en deed de was. Maar belangrijker: ze wás er gewoon. Ook al ging ik uit school meteen naar mijn kamer, door de gezinsverzorgers was er wél iemand. We konden even met ze kletsen als we wilden. Ze wisten wat we aan het doen waren en waar we ons mee bezighielden. Ze vroegen naar de repetitie die we gehad hadden, of de ruzie die ik had met een vriendinnetje.

„Mijn vader was altijd aan het melken als wij uit school kwamen. Enerzijds was het handig dat hij op de boerderij werkte en dus altijd in de buurt was, maar tegelijkertijd waren die koeien heilig, zij bepaalden het ritme van de dag. Het werk was misschien ook een vlucht. Thuis praatten wij niet over het verdriet. Het was een groot ei dat op tafel lag en waar iedereen omheen liep. Mijn vader heeft zijn rouw verwerkt in die melkput. Dan stond hij in zijn eentje tussen de koeien te huilen.”

Is het niet gek als er een vreemde zo dicht bij dat proces staat?

„We waren er zo aan gewend. Vanaf mijn vijfde waren er altijd types in huis, ik wist niet beter. Die vanzelfsprekendheid zegt ook iets over het belang ervan. Bovendien was Tineke bij ons op de dag dat mijn moeder overleed. Dan ben je geen vreemde meer.”

Na anderhalf jaar moest Tineke stoppen van haar leidinggevende. De band die Eva en de rest van het gezin met haar hadden opgebouwd, ging tegen alle regels in. Tineke at bij het gezin aan tafel en was in de zomer mee geweest op vakantie. Ze waren te veel aan elkaar gehecht.

Opvolgster Anja kon volgens de kinderen niet tippen aan Tinekes zorgzaamheid.

Heeft het geen averechts effect op een toch al ontwricht gezin, als er iemand in huis is die je niet kunt uitstaan?

„Bij Anja was dat wel het geval, vrees ik. Mijn zus Ida schrikt nog steeds als het over Anja gaat. Zij en Gert zaten toen steeds vaker op kun kamer of ontvluchtten het huis. Maar hoewel we niet met haar overweg konden, zorgde Anja er wel voor dat ons huishouden bleef draaien.”

Besefte je dat toen ook?

„Nee, toen was Anja gewoon stom. Zij vond dat wij veel meer mee konden helpen: de tafel afruimen, onze bedden opmaken. We waren misschien ook best verwend. Van mijn vader mocht heel veel, van Anja niet. Zij zette de muziek zachter als ze de kamer binnenkwam – David Bowie, mijn broer was groot fan.

„Ze ging ook altijd stofzuigen als wij uit school kwamen. Gert en Ida zullen nu nooit hun huis stofzuigen als hun kinderen er zijn, omdat ze dat vroeger zelf zo vervelend vonden. Ben je net lekker thuis, komt er iemand steeds met zo’n slang tussen je voeten door.”

Heb jij er zelf ook gevoeligheden aan overgehouden?

„Nou, nee. Het heeft wel gevolgen voor hoe ik zelf als moeder ben. Ik weet gewoon niet zo goed hoe het moet, huishouden. Als ik van een moeder op het schoolplein hoor dat zij ’s avonds al de tafel dekt voor het ontbijt van de volgende ochtend ben ik meteen heel onzeker. Moet ik dat dan ook doen? Het gaat goed bij ons thuis, maar ik heb altijd een knagend gevoel. Mijn broer zegt dat het komt doordat we nooit een voorbeeld hebben gehad. Het huishouden werd toch vooral voor ons gedaan, en niet met ons.”

Je weet nooit hoe het zou zijn geweest als het anders was gegaan.

„Dat is het lastige aan het verhaal. Ik denk dat mijn onzekerheid met mijn jeugd te maken heeft, maar dan ben ik wel aan het psychologiseren. Als ik zie hoe goed andere mensen hun leven op orde hebben, heb ik altijd het gevoel dat ik een achterstand heb. Terwijl ik 42 ben, een lieve vriend en twee fantastische kinderen heb en echt wel iets heb bereikt. Als je in je jeugd zo’n klap hebt gehad, blijf je altijd een beetje wiebelen.”