Reuzen rijpen in het buitenland

Nederlands team sloeg twee jaar geleden nieuwe weg in. Op het EK kunnen de mannen stap richting Rio zetten.

Waterpoloër Luuk Gielen (rechts) in actie tijdens de wedstrijd tegen Kroatië, zaterdag op het EK in Belgrado. Foto KOCA SULEJMANOVIC/EPA

Eén zege nog, dat volstaat voorlopig. Dinsdagochtend, elf uur, in de imposante Kombank Arena in een ijskoud Belgrado: Nederland-Georgië. „De belangrijkste wedstrijd van de afgelopen tweeënhalf jaar”, zegt Luuk Gielen zonder aarzeling.

Gielen (25), een Utrechtse reus van 2,04 meter die onder contract staat bij de Europese topclub Partizan Belgrado, is net klaar met trainen. Buiten jaagt de sneeuw over de Donau. Georgië verslaan betekent een plek bij de beste twaalf van de zestien landen. En dat geeft recht op deelname aan het olympisch kwalificatietoernooi, in april in het Italiaanse Triëst. Een strohalm voor Rio. Meer hoeft niet, nu niet.

Ze kennen hun plaats. Maar af en toe was de eerste week van het EK in zijn thuisstad voor Gielen „heel vervelend”. Tegen toplanden als Montenegro (13-6) en Spanje (15-4) kregen ze alle hoeken van het zwembad te zien. „Natuurlijk wisten we dat dat niveau voor ons te hoog gegrepen is”, zegt hij. „Dat zijn medaillekandidaten. Maar voor ons team is dit heel goed. Het maakt ons bewust van de stappen die we nog moeten maken.”

Toch is lang niet alles kommer en kwel in waterpolobolwerk Belgrado, waar Gielen al drie seizoenen speelt. Nederland won het cruciale groepsduel van Slowakije (6-5) en maakte het zaterdagavond olympisch kampioen Kroatië verrassend lastig, al viel de uitslag nog fors uit (16-9). „Maar negen keer scoren tegen Kroatië, met absolute wereldtoppers in het water, is uitstekend. Het geeft ons heel veel vertrouwen voor de wedstrijd tegen Georgië.”

Het versterkt het geloof in de opmars. „We winnen van landen waar we nooit van wonnen. We doen onszelf tekort omdat we altijd hebben verloren. De knop moet om. We zijn echt twee stappen verder.”

Want ze komen van ver. Waar de vrouwen de afgelopen jaren successen vierden met olympisch goud (2008) en zilver op een EK (2014) en een WK (2015), hebben de mannen zich net uit de kelders van hun sport gehesen. De laatste keer dat zij op de Spelen waren was in 2000 (Sydney). Daarna ging langzaam het licht uit – en de geldkraan dicht.

Twee jaar geleden besloot succescoach Robin van Galen zijn tanden erin te zetten, maar hij wist direct dat het een meerjarenproject zou worden. „Tien jaar”, zegt hij. „Je kunt niet verwachten dat je na twee jaar hard werken even bij de wereldtop aansluit.”

Hij maakt gebruik van de toplanden. Omdat het niveau in Nederland niet hoog genoeg is, brengt Van Galen zoveel mogelijk spelers elders onder. Van de veertienkoppige selectie spelen behalve Gielen nog zeven internationals in het buitenland, allemaal bij clubs in en rond Barcelona. Volgend jaar spelen er elf in Spanje, zegt Van Galen. „Hij heeft dat heel slim aangepakt”, vindt Gielen.

De Nederlandse talenten zijn gewild: jonge kerels van twee meter, oersterk, uiterst gemotiveerd – en ze vragen niet veel. Fanatieke liefhebbers met een olympische droom, al komt Rio wellicht te vroeg voor hen. „Maar we zullen er alles aan doen.” Van Galen heeft vaker een stunt uitgehaald. Maar ook Gielen denkt dat Tokio (2020) betere vooruitzichten biedt.

Dagelijks trainen met ’s werelds beste spelers versnelt het groeiproces. Van Galen: „Die spelers wordt sneller, fitter, harder, gehaaider.” Gielen merkt het zelf, als hij met Partizan tegen andere topclubs op de Balkan speelt. „Bij mijn club speel ik wekelijks op dat niveau.” Met hem en de ‘Spaanse Nederlanders’ – zoals Robin Lindhout, met ruime afstand topscorer van Spanje – stijgt het Nederlandse niveau rap, constateren ook andere bondscoaches in Belgrado.

Vooral tactisch moeten ze nog veel leren. Slimmer worden. Bij Partizan laaft Gielen zich aan de tactische tips van oud-international Vladimir Vujasinovic, „een god” in het waterpolo op de Balkan. „Van hem leer ik zó veel, al die trucs als verdediger. Soms maar kleine details, maar het maakt een wereld van verschil. Even je tegenstander aan zijn arm trekken om hem uit balans te brengen, in plaats van hem bij de schouder vast te houden, zoals je in Nederland leert.”

Hij grijnst. Nergens in het internationale waterpolo wordt de sport zo intens beleefd als bij Partizan, de omnivereniging die in Belgrado veel weg heeft van een religie. Vooral bij confrontaties met stadgenoot Rode Ster is het raak. „De beleving is zó anders, één gekkenhuis.” Dat danken ze aan de Grobari, de bloedfanatieke aanhang van Partizan. „Een soort hooligans bij het voetbal en basketbal van Partizan, maar ze steunen ook het waterpolo. Alleen wij hebben dat soort fans. We reizen met politiebegeleiding.”

Met Nederland moet het dinsdag gebeuren, tegen Georgië. Gielen verwacht dat het aankomt op snelheid. „Wij zijn net iets fitter. We zullen het tempo hoog houden, zodat we ze in de vierde periode kapot kunnen spelen. Na die goede prestatie tegen Kroatië heeft iedereen zin om te knallen.”