Column

Knausgård

De Noor Karl Ove Knausgård schreef meer dan 3.800 pagina’s over het leven van Karl Ove Knausgård. Uitgeverij De Geus sleepte de succesauteur vier dagen door Nederland en België. Hij draaide plaatjes in Paradiso in Amsterdam, werd bestormd door vrouwen van middelbare leeftijd in boekhandel Donner in Rotterdam, sprak over Munch en Van Gogh in het Van Gogh Museum en werd veertien keer geïnterviewd in Brussel, maar het hoogtepunt vond hij de Hard Gras Avond in pakhuis De Zwijger in Amsterdam waar hij onder leiding van Henk Spaan en Hugo Borst in gesprek ging met oud-international Ruud van Nistelrooij.

Voorafgaand was er een diner met auteurs van voetbaltijdschrift Hard Gras. Op het menu stonden allemaal Noorse gerechten, waarvan ik de plakken Noorse lever op Noors brood het vieste vond. Het toeval wilde dat ik naast Knausgård zat. Er waren er nogal wat in dat gebouw die daar waarschijnlijk jaloers op waren, maar ik zat ongemakkelijk in mijn Noorse vissoepje te roeren. Ik dacht aan de boeken Vader en Zoon die thuis ongelezen op een stapel lagen. Ik wist relatief weinig van deze zwijgzame man die eraan gewend was dat hij voor iedereen een open boek was.

Ik hoorde mezelf dingen zeggen als ‘good soup’, en bewonderde Henk Spaan die net als Knausgård de opstelling van het FC Liverpool van 1978 kon oplepelen. Opeens ging het over Noorse voetballers die in de eredivisie hadden gespeeld.

„Hallvar Thoresen en Erik Nevland”, zei ik.

„Is al gezegd”, zei Henk Spaan.

Het meisje van de bediening bracht het hoofdgerecht: Noorse gehaktballen met een saus van Noorse besjes.

„Geen half-om-halfgehakt zoals in Nederland.”

Knausgård glimlachte vriendelijk, maar zei na anderhalve gehaktbal dat hij een sigaret wilde roken. Het voelde als een uitnodiging en voor ik het wist doolde ik met de Noor en zijn persdame door het gebouw. We maakten enorme omwegen. Contact met mensen die de ruim 3.800 pagina’s wel hadden gelezen moest vermeden worden.

We vonden onszelf terug aan de zijkant van het gebouw. De natte sneeuw blies ons in het gezicht. De persvrouw en de schrijver spraken van een ideale plek. Knausgård kon niet alleen meer en sneller schrijven dan ik, hij kon ook beter roken. Tweeënhalve sigaret in een kwartier!

Hij bekeek mijn pakje Drum en zei dat hij noodgedwongen stiekem rookte. Het was elke keer weer een verrassing naar welke afgelegen plek ze hem zouden brengen als de nicotinebehoefte de kop op stak. Soms kon hij ze zien, de mensen die al die 3.800 pagina’s over hem hadden gelezen. Leuk dat ze zichzelf in hem herkenden, maar liever niet tijdens het roken.