De boekenlijst is misdadig/onmisbaar

Die boekenlijst is misdadig, fuck de canon, schreef Christiaan Weijts. Een selectie van de beste reacties.

Weijts kreeg bijval voor zijn pleidooi om de boekenlijst af te schaffen. (Gemist? Lees hem hier terug)

Maar ook negatieve reacties

Jammer, je zou zoveel missen, vindt docent Nederlands Michelle van Dijk. Scroll naar beneden voor nog vier korte reacties.

Als ik mijn mooiste literatuurles moest kiezen, dan zou dat het voorlezen van Het behouden huis in 4 havo zijn: de leerlingen op het puntje van hun stoel vanaf de eerste zinnen, hun blik op oneindig omdat ze voor zich zien wat Hermans beschrijft: de oorlog, de gruwelen, dat kille karakter, de waanzin. Moeilijk? Misschien, maar je moet in je leven toch iets van Hermans hebben meegekregen.

Christiaan Weijts denkt er anders over: ‘Fuck de literaire canon.’ Jammer toch. Je zou zo veel missen. Bij Sara Burgerhart hebben we hoofdrolspeler Saartje: zij is zo onbezonnen dat ze zomaar een avond uitgaat met ‘den Deugniet’ R. – ze weet dat hij een player is, vertaal ik voor de leerlingen, maar vanavond zal ze hem vertellen dat ze niet geïnteresseerd is. Ze gaat toch vrijwillig met hem mee, in zijn koets, naar een landgoed buiten de stad en daar wil hij meer van haar. Heeft ze deze aanranding zelf uitgelokt? Nee, natuurlijk niet, roept iedereen – maar in de roman is de boodschap duidelijk dat ze voorzichtiger had moeten zijn. Het is een discussie waarmee ook nu nog krantenpagina’s gevuld worden.

Het hoofdstuk ‘Saidjah en Adinda’ uit Max Havelaar laat je zien wat koloniaal bestuur voor gevolgen had én wat de romantiek is. Een passage Fabriekskinderen leg je naast een artikel over kinderarbeid in Bangladesh. Dit jaar las ik met vwo 5 De stille kracht, waarbij ik ze toestemming gaf om diagonaal te lezen; en we lazen het hilarische werk Reize door het aapenland, want grapjes over piemels en lelijke vrouwen doen het al meer dan tweehonderd jaar goed.

Moet ik nog doorgaan? Ja, ik moet ook vertellen dat de kloof tussen kunnen en moeten tegenwoordig bewuster, doordachter overbrugd wordt. Weijts generaliseert vanuit de nogal ambitieuze lijst van een gymnasiumleerling naar de aanpak van alle docenten Nederlands. Na wetenschappelijk onderzoek door Theo Witte zijn bij veel docenten Nederlands de zes niveaus van www.lezenvoordelijst.nl gemeengoed geworden. Een leerling leest bijvoorbeeld op niveau 2 en wil zich tijdens het lezen vooral herkennen in het verhaal; je vraagt de leerling op dat niveau erover na te denken in een gesprek of opdracht, maar je daagt de leerling ook uit om een stap verder te gaan; is er niet net zo’n soort boek op niveau 3? Het is daarbij cruciaal dat de docent meedenkt met de leerling en persoonlijke tips geeft.

Schrijver Alex Boogers publiceerde zeer recent het pamflet De lezer is niet dood en stelt daarin ook dat de moderne leeslijst te weinig aansluit op de belevingswereld van jonge lezers: ‘Als er al schrijvers zijn die de tijdgeest weten te vangen, die de generatie een stem geven, of misschien minder verheffend: die gewoon een boek schrijven waar jongeren iets in kunnen herkennen, of dat ze meeneemt, zonder dat ze in de gaten hebben dat het gebeurt, waarom staan zulke titels niet op de moderne leeslijst?’

Soms is dat inderdaad, zoals Boogers vervolgens zegt, omdat docenten die boeken zelf niet kennen. In andere gevallen, zoals bij de gymnasiumlijst die Weijts als voorbeeld geeft, kiest de docent echt voor de canon, ook al is dat officieel geen eindexameneis (slechts drie werken van voor 1880 voor vwo’ers). Maar ik kan nog wel meer redenen bedenken, bijvoorbeeld bij twee boeken die Weijts aanhaalt: Gimmick! en Tirza. Deze twee boeken zijn voor leerlingen niet makkelijker dan Karel ende Elegast. Herhaaldelijk heb ik leerlingen gesproken die het einde van Tirza niet hadden begrepen. Herhaaldelijk klaagden leerlingen over boeken zoals deze omdat ze de taal te plat, de gebeurtenissen te volwassen vonden. Het is een misverstand te denken dat zestienjarigen alles willen lezen als er maar geneukt wordt.

Literaire smaak (in ontwikkeling) is zo persoonlijk dat een advieslijst altijd de plank zal misslaan. De leerling moet zelf kiezen. Waarom bestaan die lijsten dan toch? Omdat ze anders Raveleijn op de vwo-lijst noteren (een Efteling-boek van Paul van Loon, een aanrader in een andere leeftijdscategorie) of niets lezen totdat de docent een titel gegeven heeft. Het moet beginnen bij die enthousiaste docent, of in de woorden van Boogers: ‘De docent als een vonk waarmee hij het licht in een leerling kan aansteken.’