Column

Een leuke voorouder zijn

Al zoekende naar mijn roots, vraag ik me regelmatig af of zoeken naar je roots geen onzin is. Ten eerste: de geschiedenis van Suriname is geen vrolijke. Er ligt een hoop verdriet, een hoop gruwel en onrechtvaardigheid, direct onder de oppervlakte. Wil ik wel weten wat dat te maken heeft met mij?

Ten tweede: is schrijven over je roots niet net zoiets als praten over baby’s? Iedereen hier heeft verhalen over verzwegen negerbloed, een onverwachte indiaan, een vader met twintig kinderen, een zus die eigenlijk een moeder is, een mateloos fascinerende ontdekking in een almanak uit 1910. Als het over je eigen voorouders gaat, is het interessant. Als het gaat over die van een ander meestal niet. Iedereen wil denken dat zijn voorouders helden waren, maar de meeste voorouders waren zoals wij, gewoon mensen. Bedenk maar: alle mensen die vandaag leven, zullen ooit iemands voorouders zijn.

Maar vanochtend zat ik op een terras van een ontbijtbarretje in Paramaribo en raakte aan de praat met Frits Gravenberch en zijn vrouw An Gravenberch-De Jong. An deed me denken aan mijn Nederlandse oma. Ze had dezelfde bolle wangetjes, dezelfde guitige blik. Frits leek op mijn opa. Een Nederlandse opa met een opapet. Even dacht ik dat hij blank was, maar aan zijn ogen en zijn neus kon je zien dat er ook iets anders in zat. Je merkte het ook aan zijn gedrag. Hij was als een Nederlandse opa, maar dan zonder dat stugge, zonder dat strenge. An vroeg me wat ik deed hier. Ik vertelde over mijn voorouders en de verlaten plantage. „Interessant”, zei ze. De overgrootvader van Frits had ook een plantage.

Frits had nooit naar zijn overgrootvader gezocht. Hij kreeg hem letterlijk op een blaadje gepresenteerd. Tijdens een overzichtstentoonstelling in het Tropenmuseum, vijftien jaar geleden. Daar hing een oorkonde van een man met zijn achternaam: Adolf Gravenberch. Frits bleek een nazaat van de eerste zwarte dokter van Paramaribo.

Adolf Gravenberch werd in 1811 geboren als slaaf op een plantage. Vanwege zijn hoge intelligentie gaf zijn eigenaar S. de la Parra – „onderdrukker eigenlijk”, zegt Frits – hem de kans om te studeren bij A.G. Steglich, een plantagedokter. Hij werkte in het hospitaal van Steglich en werd als een van de weinige slaven voor zijn werk betaald.

Met het geld dat hij had gespaard, kocht Adolf zijn vrijheid en een ziekenhuis in de Nassaulaan in Paramaribo. Hij vergat niet waar hij vandaan kwam: ’s morgens behandelde hij rijken, zodat hij ’s middags gratis arme mensen kon helpen.

De blanke artsen van Paramaribo werden jaloers, spanden een proces aan en lieten hem uit zijn functie ontheffen. Meneer B.E. Calocao, een zwarte advocaat, zorgde ervoor dat Adolf in ere werd hersteld.

Adolf Gravenberch had drie plantages, was goed voor zijn slaven en gaf alles weg wat hij verdiende. Er werd een straat naar hem vernoemd, heel Paramaribo kwam op zijn begrafenis. Hij was 95 jaar oud geworden. Hij liet geen geld achter, zijn nazaten vergaten wie hij was en toch heeft zijn leven duidelijk invloed gehad: de helft van Frits’ familie bestaat uit artsen.

Het heeft zin om zelf een leuke voorouder te zijn. Dat is het mooie aan dit verhaal: als Adolf het kon, kun jij het ook. Wie je voorouders ook waren, jij kunt dingen beter maken. Voor jezelf en voor de kinderen van je kinderen van je kinderen.