Diyarbakir ligt in puin, de Koerden zijn er wanhopig

In de grootste Koerdische stad in Turkije liggen de lichamen van doodgeschoten jongeren al wekenlang op straat. Tienduizenden Koerden raakten de afgelopen maanden ontheemd.

Inwoners van Diyarbakir protesteerden zondag tegen het uitgaansverbod in het centrum van de stad. Wie het uitgaansverbod negeert, kan worden beschoten. Foto Ilyas Akengin/AFP

Halil Tüzülerk (31) klom op 10 oktober naar het dakterras van zijn woning. Hij wilde er zijn werkkleding aantrekken die hing te drogen. En de duiven binnenhalen, want er werd gevochten in de wijk tussen gewapende Koerdische opstandelingen en de politie. Hij had één been in zijn pantalon, toen hij in zijn zij werd geraakt door een kogel. Die ging dwars door zijn bovenlijf en kwam bij zijn schouder weer naar buiten. Pas drie uur later durfden familieleden zijn lichaam naar binnen te verplaatsen.

Zijn moeder van 75 vertelt het huilend. Ze zit op de vloer van een kaal appartement in een afgelegen buitenwijk. Als het verdriet haar overmant, wiegt ze haar bovenlijf heen en weer. Het gezin van Tüzülerk, vrouw en vijf kinderen, zijn voor het geweld binnen de oude stadsmuren gevlucht en bivakkeren in dit huurhuis.

Tienduizenden Koerden zijn de afgelopen maanden ontheemd geraakt door het geweld in de steden in het zuidoosten van Turkije. Groepen gewapende stadsjongeren die banden hebben met de verboden Koerdische Arbeiderspartij (PKK) hebben zich verschanst in woonwijken en barricades opgeworpen en boobytraps gelegd. Antiterreureenheden maken jacht op hen. Pantservoertuigen rijden af en aan. Er klinken explosies. Lijken liggen op straat. Uitgaansverboden duren weken. Wie zich tijdens de uitgaansverboden buiten waagt, riskeert te worden beschoten door scherpschutters en antiterreureenheden. Er is onvoldoende onderscheid tussen wie bewapend is en wie niet, zeggen mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch. Schrijnende verhalen over burgers die verstoken van medische hulp en soms voedsel en stromend water opgesloten in huis zitten.

De meeste winkels zijn gesloten

Buiten buurten waar sinds 2 december een uitgaansverbod geldt, gaat het leven in Diyarbakir door. Op vrijdag gaan tientallen mannen naar het middaggebed in de Ulumoskee. Ze laten zich gedwee op wapens controleren bij een checkpoint.

Hoewel de Gazistraat sinds twee weken toegankelijk is, zijn de meeste winkels gesloten. De militairen aarzelen over het doorlaten van een journalist. „Ik heb onvoldoende mankracht om haar in de gaten te laten houden”, zegt een commandant tegen een collega. Hij geeft schoorvoetend toestemming. Het is hiervandaan niet te zien wat zich achter de huizen afspeelt. De informatie beperkt zich tot niet te controleren cijfers van dode PKK’ers, militairen en agenten.

„Van ons huis is niets over”, huilt Halil Tüzülerks moeder. Ze weet niet van wie de kogel kwam: scherpschutters, politie, of de PKK. Zoals bij de meesten van de honderden slachtoffers was er geen onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak.

Behalve in Diyarbakir, de grootste Koerdische stad in Turkije, wordt nu hevig gevochten in Cizre en Silopi, beide pal op de grens met Syrië en Irak. De strijd legt de regio lam. Veel infrastructuur is kapot. De vooruitgang is tenietgedaan.

In maart 2013 kondigde de PKK een wapenstilstand af en trok zich deels terug in de bergen in Noord-Irak. Er begon een ‘oplossingsproces’, waarbij Koerdische delegaties shuttlediplomatie bedreven tussen de gevangen PKK-leider Öcalan en de regering. Vier decennia geweld leken ten einde.

De regio begon aan een inhaalslag, vertelt Sahismail Bedirhanoglu, voorzitter van de associatie van zakenlieden en industriëlen in Zuidoost-Turkije. Zelf opende hij een hotel in het stadshart van Diyarbakir. „Niemand in de zakenwereld had deze negatieve uitkomst kunnen bevroeden.” Alleen al in Diyarbakir zijn door het geweld 1.500 bedrijven dichtgegaan, tienduizenden zitten zonder inkomen. Bedirhanoglu probeert met andere ondernemers te bemiddelen in het conflict en met alle partijen te praten. Volgens hem zijn leger en politie bereid de operaties te staken, als eerst de opstandelingen zich terugtrekken.

De ondernemers zijn vlak voor de legeroperatie begin december werd opgevoerd de belegerde wijken in geweest om met de opstandelingen te praten. „We zeiden tegen hen: ‘Dit wordt kort en bloederig.’ We kregen als antwoord dat ze niet konden beslissen zonder bevel uit Kandil.” Kandil is het gebergte in Noord-Irak waar de PKK-leiding zit en traint.

Bedirhanoglu houdt zowel de regering als de PKK en de uit de Koerdische beweging voortgekomen politieke partij HDP verantwoordelijk voor het falen van het vredesproces en het heropgelaaide geweld. De dynamiek daarin oversteeg vanaf september 2014 de Turkse grenzen op een manier die niemand had voorzien.

PKK werd overmoedig

De inname van de Syrisch-Koerdische stad Kobani door IS werd een keerpunt. De Turkse regering weigerde militair in te grijpen ten behoeve van de Koerden of de grens te openen voor PKK-strijders die er tegen IS wilden vechten. De PKK is nauw verwant aan de Syrisch-Koerdische milities (YPG) die in Syrië een eigen regio runnen. De PKK geldt in Turkije, Amerika en Europa als terreurorganisatie.

Maar door de militaire successen van de PKK en de YPG tegen IS in Syrië en Irak krijgen de milities tegenwoordig ook veel erkenning en in Syrië zelfs internationale steun in de vorm van wapens en luchtbombardementen. Dat en het succes van Koerden bij de Turkse parlementsverkiezingen hebben de PKK overmoedig gemaakt, zegt Bedirhanoglu. „Ze dachten door hun acties in Turkije op te voeren hetzelfde te kunnen bereiken als de Koerden in Syrië. En sterker te staan in gesprekken met Ankara. Een misvatting, volgens mij.”

De ondernemer blijft proberen de partijen aan tafel te krijgen. Hij is somber. De Turkse regering noch de PKK steekt op dit moment een hand uit. En met elke militaire operatie of PKK-aanval groeit de kloof. Daar komt bij dat de PKK wordt gesteund door Rusland en Iran.

In een zaaltje van de Koerdische mensenrechtenorganisatie IHD is een hongerstaking. Het zijn nabestaanden van vier jongeren die in december zijn omgekomen in het afgegrendelde deel van de stad. Hun lichamen liggen nog op straat. Een van hen was een meisje van zestien.

Ihsan Seviktek (40) wil de overblijfselen van zijn broer Mesut Seviktek (24), die op 24 december is doodgeschoten. Hij eet sinds 2 januari niets meer.

Van de politie mogen mensenrechtenactivisten de lichamen op eigen risico weghalen. Ze moeten dan ook explosieven in de buurt van de lijken verwijderen. Nabestaanden zien het als een valstrik.

Sevikteks leven staat in het teken van de Koerdische strijd. De familie wordt continu in de gaten gehouden. In 2012 zat hij met zijn broer vast. Ook hij wil een wapenstilstand, zegt hij. Maar niet zonder toezeggingen van de regering over meer rechten voor de Koerdische minderheid.

Door de manier waarop de Turkse autoriteiten politiek actieve Koerden onderdrukken, is ook zijn zoon geradicaliseerd, vertelt hij. De jongen van zestien heeft zich recent bij de opstandelingen in de wijk gevoegd. De kans is klein dat hij hem levend terug ziet. Is dat het waard? „Ik respecteer zijn keuze”, zegt zijn vader zonder emotie te tonen. „De staat heeft hem niet meer dan zestien jaar gegeven.”