Ali B maakt de nuance opwindend

Hij is de nationale knuffel-Marrokkaan én een van de beste cabaretiers. Hoe doet hij dat? Het succes van Ali B ontleed aan de hand van zijn nieuwe cabaretprogramma 'Je suis Ali’.

Ali B in zijn nieuw decor voor de voorstelling ‘Je suis Ali’.Foto Merlin Daleman

De titel van zijn vijfde cabaretprogramma, Je suis Ali, drukt precies uit waar Ali B het over wil hebben: over onafhankelijk zijn, over zelf blijven denken. Alle claims die anderen op hem willen leggen om zijn roem uit te baten, wijst hij af. Met zijn variant op Je suis Charlie, vorig jaar de slogan voor saamhorigheid en solidariteit, zegt hij dat hij zelf de nuances en de grenzen van zijn positie bepaalt.

Niet voor niets kiest Ali de regel die werd geformuleerd als antwoord op moslimterreur: hij is immers de nationale knuffel-Marrokaan, de bekendste moslim van Nederland. En aan moslims wordt gevraagd zich uit te spreken over het geweld. Ali Bouali uit Almere (1981) schrikt daar in Je suis Ali niet voor terug, mits het mag op zijn voorwaarden: in anderhalf uur en in de intimiteit van het theater, waar een antwoord net zo complex en vertakt mag zijn als het probleem.

Dat hij in zijn opzet slaagt, maakt van Je suis Ali een ijzersterke voorstelling: geestig, lyrisch, geëngageerd. Opnieuw. Dat hoeft geen verrassing meer te zijn, want de succesvolle rapper, die een innovatief tv-maker werd, heeft zich ontwikkeld tot een van de betere cabaretiers van Nederland. Met zijn derde voorstelling, Ali B geeft antwoord, won hij de Neerlands Hoop, cabaretprijs voor beste nieuwkomer en zijn vorige, Ali B beken(d)t, werd genomineerd voor de Poelifinario voor beste voorstelling, die ten onrechte aan zijn neus voorbijging.

Een Bekende Nederlander die zich niet bij zijn leest houdt, wekt al gauw scepsis. Maar Ali draait het om. Zijn roem is een troef die hij vanaf de eerste seconde uitspeelt om een nog koude zaal op te warmen. Hij zeurt niet over de hokjes waarin hij wordt geplaatst, hij benut ze. Ja, ik ben die knuffel-Marokkaan, die bruggenbouwer. In zijn vorige programma vroeg hij het publiek zijn hits op te noemen – hij speelde verbazing toen dat niet lukte. In Je suis Ali vraagt hij of we hem hebben zien huilen bij De Wereld Draait Door.

In de roem ziet hij opvallend genoeg ook een morele dimensie: hij is de norm. Dat blijkt als hij vertelt ervan te balen dat Badr Hari, de ‘grootste Marokkaanse sportman’, een boeman is. Daar heeft hij last van, maar hij vermoedt dat Badr Hari meer last heeft van hem, omdat hij „een soort standaard” is geworden. En een moreel ijkpunt is hij graag. Niets liever.

De indruk die Ali B wekt, is dat hij zo’n heerlijk naturelle verteller is. Maar zijn charme heeft een methode. Stap twee is dat hij snel weer afdaalt van de gammele troon van Bekende Nederlander om gewoon Ali te zijn. Dat is immers waar een deel van het publiek op afkomt: dichtbij roem komen. Wie nieuwsgierig is naar de man achter de DWDD-tafelheer of het The Voice-jurylid komt aan zijn trekken.

Klein en menselijk

Achter het masker van de tv-ster toont hij sentiment en schaamte. Ali is snel ontroerd en als artiest wil hij emotioneren. Vorig jaar rolden de tranen over zijn wangen bij DWDD toen hij Terwijl jullie nog bij me zijn zong, een lied over hoe hij zijn kinderen al mist terwijl ze nog bij hem zijn. De vrouwen in de studio huilden mee en het werd tot ‘muziekmoment van het jaar’ gekozen door DWDD-kijkers. Huili B, grapt hij nu, en noemt het gênant. In zijn beide vorige programma’s bekende hij zich ook te schamen als hij zichzelf op tv terugzag. De suggestie is: ik ben wel op tv, maar niet superieur. Hij houdt zichzelf klein, menselijk. Met zulke confidenties kweekt Ali B in no time een vertrouwensband met de zaal.

Een gevoelig moment is ideaal voor een harde overgang. Een cabaretier doet niet anders dan de stemming laten wisselen, is zijn overtuiging. Een beeld opzetten, dat beeld versterken en dan onderuithalen. Daar zit de lach. En daarin schuilt ook overtuigingskracht. In Je suis Ali maakt hij na 20 minuten gezellige niksigheid een harde overgang naar Zwarte Piet.

Dat moment van confrontatie is stap drie van zijn methode: het programma is echt van start gegaan. Nieuw is dat hij zich uitlaat over brandende maatschappelijke thema’s. Zijn engagement was tot nu toe indirect en persoonlijk: in verhalen over het leren van je fouten, afkeer van geweld en de kracht van zijn geloof en de ambitie een bijdrage te leveren aan de samenleving. Een cruciaal deel van zijn vorige programma was dat hij ooit in elkaar was geslagen. Daarover zei hij: „Over hoe je je voelt als je een pak slaag krijgt, wordt niet dagelijks gediscussieerd bij Pauw & Witteman, maar het is wel actueel als een malle. Ik spui geen kritiek op het kabinet. Ik zoek het onderliggende.”

In Je suis Ali gaat hij verder waar Ali B Beken(d)t magnifiek mee eindigde: zijn idee van wat geloof is. Hij sprak zich uit tegen moorden en oorlog voeren uit naam van Allah, voor hem „de meest Barmhartige”, die Ali omschrijft als „een intelligentie” die hij aanbidt. Zijn geloof is een geloof waar hij van huppelen moet.

En hij herneemt zijn pleidooi voor het toelaten van twijfel, de zekerheid dat je het niet zeker weet. In zijn shows, geconstrueerd als openbare vraag-antwoordspelletjes, is ‘Mensen vragen mij’ een repeterende frase. Mensen vragen hem een kant te kiezen, maar Ali wil niet kiezen. Hij wil een man van het midden zijn, de stem van de redelijkheid. Dat is ook de man die zich afzijdig wil houden. In Ali B geeft antwoord verklaarde hij: „Het geheim van mijn succes is dat ik heb geleerd om nergens tegen te zijn.”

Dat hij nu wel op die vragen ingaat, is de uitkomst van een innerlijke dialoog – tussen de stemmen in zijn hoofd, die hem altijd opjagen. Het is druk in zijn hoofd, zei hij twee jaar geleden in een interview met deze krant, maar hij kan de stemmen goed uit elkaar houden. „Sterker nog, ze hebben elk hun eigen outfitjes!”

Dit programma ontmoet hij Bert, de nurkse echtgenoot van een vrouwelijke fan, die hem uitdaagt te zeggen waar hij staat. Bert klinkt als de stem van zijn geweten. En dus geeft hij toe. Met de nodige slagen om de arm: wie ben ik dat mijn mening zo belangrijk is, alsof ik zo goed geïnformeerd ben. Maar Bert zegt eenvoudig: jij bent rapper, jij wordt gehoord.

Zo schept hij voor zichzelf de ruimte om zijn talent als gehaaide verteller te laten fonkelen in puntige twistgesprekken en meeslepende anekdotes rond heikele onderwerpen als Zwarte Piet, de PVV, criminele Marokkanen en vluchtelingen. Serieuzer dan ooit stelt hij Ali Sociali tegenover Ali Radicali.

Die fase, stap vier, laat zich het best illustreren aan hoe hij het standpunt van de PVV ondermijnt en zijn idee over geloof laat gloriëren in een ontmoeting met Fleur Agema. Rond Agema, de nummer 2 van de PVV, spint hij een geraffineerd verhaal dat begint met: „Zij is van de partij die minder van mij wil. Ik ga haar afmaken. Verbaal.” En eindigt met „Alle moslims gaan op de PVV stemmen”.

De parabel is het hart van de voorstelling: Ali heeft een droom – al zegt hij dat niet met zoveel woorden. De droom is verpakt in een gesprek met Agema, backstage na afloop van een optreden van RTL Late Night waar ze beiden te gast waren. Als Agema tot zijn verrassing een behartenswaardige oproep doet bejaarden beter te verzorgen, volgt een gesprek. Vraag voor vraag trekt hij haar het pad der redelijkheid op. Als ze hem leuk vindt, als ze vindt dat hij mooie dingen maakt, als ze het mooi vindt dat hij inspiratie vindt in zijn geloof voor het maken van mooie dingen: erkent ze dan dat een geloof nooit per definitie slecht of goed is, maar dat de interpretatie het slecht of goed maakt? Daar heeft hij haar.

Fictief, want dit is de gong voor de laatste ronde. Dit is waar hij instemming voor wil krijgen van het theaterpubliek. De redenaar heeft zijn doel bereikt.

Het gesprek met Agema loopt natuurlijk niet goed af, maar Ali heeft laten horen waar hij staat. Dit procedé herhaalt hij bij de andere thema’s. Twee programma’s terug zei hij dat hij in het theater niemand is en dat hij dat nodig had om weer iemand te worden. Het begeesterende Je suis Ali laat zien dat hij de intimiteit van het theater ten volle weet te benutten en voor iets wondermoois inzet. Niemand kan om de middenman heen.