Zij moest voor Saddam een biowapen maken

Videostill van Rihab Rashid Taha. Eind december 2005 werd ze vrijgelaten; ze vormde geen gevaar meer. Foto AP via APTN

Wie herinnert zich nog de winter van 88-89? Het was de winter zonder ijs en zonder ijsdagen, een winter die maar niet op stoom kwam. Het was ook de winter zonder vijgen. Half december had de Keuringsdienst van Waren alle vijgen uit de winkels laten halen. Gedroogde vijgen uit Turkije, want verse vijgen waren er toen nog niet, ’t was vóór de culicultus.

Er waren te veel aflatoxinen op de vijgen gevonden, zei de dienst. Aflatoxinen zijn carcinogene stoffen die door schimmels van het geslacht Aspergillus kunnen worden uitgescheiden. Wie te veel aflatoxinen binnenkrijgt, vergroot zijn kans op leverkanker. Het kan jaren duren voor de kanker er is, maar de relatie staat vast.

Aspergillus-soorten zijn heel algemeen en al aan de boom kunnen vijgen geïnfecteerd raken. Makkelijker gaat dat als ze op rekken of in bakken in de zon liggen te drogen. Of bij de latere opslag. Het weer geeft de doorslag.

Goed. In 1988 leerden we de aflatoxinen kennen. Toen werd het augustus 1990 en brak de Golfoorlog uit: de Irakezen vielen Koeweit binnen, de geallieerden joegen ze eruit, Irak bond in, enzovoort. De VN stuurden wapeninspecteurs (‘Unscom’) om te onderzoeken of Irak massavernietigingswapens had gehad en eind 1995 kwam de uitslag. Er was gewerkt aan een atoombom en aan gifgassen. Maar ook waren biologische wapens ontwikkeld.

Hier begint het raadsel van vandaag. Irak produceerde klassieke biologische wapens zoals antrax en botuline. Maar het produceerde ook aflatoxinen. De Iraakse wetenschappers bleken de kweek van Aspergillus op vochtige rijst onder de knie te hebben gekregen en in 1990 waren zeven 400-ponds bommen gevuld met aflatoxine. Bombarderen met een substantie die niet doodt, maar kanker verwekt: daar was nog nooit iemand opgekomen.

Het biologische programma stond onder leiding van mevrouw Rihab Taha die uitstekend Engels bleek te spreken. Tussen 1980 en 1984 had ze op de University of East Anglia in Norwich promotieonderzoek gedaan aan bacterietoxinen die plantenziekten veroorzaken. (Haar wens om te mogen werken aan toxinen die voor de mens gevaarlijk zijn was niet gehonoreerd.) Eind 1984 was ze teruggekeerd naar Irak, onmiddellijk daarna begon ze aan de biowapens. Maar Taha heeft nooit uitgelegd wat ze met die aflatoxinen wilde. Unscom-inspecteur Raymond Zilinskas, die een boek schrijft over de Iraakse wapens, zag in 1999 drie mogelijkheden: óf de Iraakse wetenschappers hadden een extragevaarlijke Aspergillus-soort gevonden, óf hun doel was genocide onder bijvoorbeeld Koerden, óf ze produceerden maar snel iets wat op vergif leek om Saddam Hoessein tevreden te stellen. „De derde mogelijkheid vind ik nog steeds het waarschijnlijkst”, mailde Zilinskas afgelopen week. „Maar er gaat ook het verhaal dat de Sovjets de aflatoxinen hebben geleverd.”

Een vijfde mogelijkheid kwam onlangs onverwacht naar voren bij herlezing van een spionageroman van Graham Greene. In The Human Factor wordt een gewantrouwde Britse geheim agent door zijn eigen dienst vermoord met aflatoxine. Greene beschrijft de operatie in detail: de wijze van toediening, de dosis, het effect. De aflatoxinen werden, schreef hij, geleverd door een laboratorium in Porton Down, en dat klinkt overtuigend genoeg want Porton Down was het Britse centrum voor chemische en biologische oorlogsvoering en één van de Porton-labs kon tot aan 1970 aflatoxine leveren. Maar verder was het fantasie.

The Human Factor verscheen in 1978 en lag misschien nog in de winkel toen Rihab Taha in 1980 in Norwich arriveerde – wie zal het zeggen. Misschien werd ze door Greene op de mogelijkheden van aflatoxine geattendeerd en misschien dat ze daarna in de literatuur een bevestiging vond voor die acute toxiciteit? Want die is er wel degelijk als de dosis heel hoog wordt, in Kenia komt soms zoveel aflatoxine voor in mais dat er doden vallen. Haalde Taha milligrammen en microgrammen door elkaar? Het is een rare gedachte, maar een gedachte die ook opkwam bij de auteurs van een artikel over gifstoffen uit schimmels in Nature Reviews Microbiology (december 2005). Graham Greene als verklaring voor een Iraaks raadsel.

Zou het kunnen? Raymond Zilinskas had er nooit van gehoord maar zou Greene gaan lezen. Emeritus hoogleraar John G. Turner begeleidde Taha destijds bij haar onderzoek en leerde haar goed kennen. Turner denkt niet dat Greene Taha op het spoor van de aflatoxinen zette, mailt hij uit Norwich. Turner deed het waarschijnlijk zelf. In colleges illustreerde hij het belang van epidemiologie voor de wetenschappelijke vooruitgang. Hij liet zien hoe de verspreiding van leverkanker in Thailand en Oeganda in verband was gebracht met de consumptie van bedorven pinda’s. Hoe op die pinda’s Aspergillus was gevonden en dat die aflatoxinen produceerden. „Ik weet dat ms. Taha mijn colleges kende.”

Turner meent het gedrag van Taha te begrijpen. „Ze is misleid.”

Hoe is het met Rihab Rashid Taha afgelopen? Toen de Amerikanen in het voorjaar van 2003 Bagdad binnentrokken gaf ze zich aan bij de bezettingsmacht. Vreemd genoeg is ze nooit aangeklaagd. Na een detentie van 30 maanden kwam ze eind 2005 vrij. Kort daarna vertrok ze naar Jemen om er aan de universiteit van Sanaa aan levensmiddelenbiologie te gaan werken. Een laatste publicatie over voedselvergiftiging door Salmonella is van januari 2013. In 2015 brak de burgeroorlog uit. Taha’s telefoon is afgesloten en op e-mails reageert ze niet meer.