Column

Wassend water

In het gesprek over migratie gebruikt men vaak watermetaforen. ‘Instroom’, ‘uitstroom’, we worden ‘overspoeld’ door een ‘vloedgolf’, etc. Mark Rutte en Halbe Zijlstra hebben het de laatste weken over het ‘absorberen’ van vluchtelingen en Geert Wilders, voor al uw hyperbolen, mag immigratie graag vergelijken met een ‘tsunami’.

Een krenkende metafoor, vinden sommigen. Het zijn mensen. Tja. Als je een beeld zoekt voor een grote hoeveelheid mensen die ongenood je land bezoeken, kun je ook van een invasie spreken – is dat beter? Een volksverhuizing, dat is het, maar dat woord hoor je vreemd genoeg weinig.

Ik pleitte vorige week voor een Deltaplan voor de integratie van immigranten. Inderdaad, de immigrant als water. Maar dat is één helft van de vergelijking. De andere is: Nederland als competente natie. In een tijd waarin ambitieuze, nationale projecten meestal mislukken (Fyra, Vestia, Maevita, Amarantis; Lord of the Rings is er niets bij) kan het geen kwaad onszelf eraan te herinneren dat wij, als we iets écht belangrijk vinden, tot heel wat in staat zijn.

Die projecten van de afgelopen jaren liepen niet spaak omdat ze te hoog gegrepen waren, maar omdat wij er niet in geloven. Omdat het bedenksels zijn van politici die zichzelf nog liever met benzine overgieten dan de geschiedenis in te gaan als iemand die ‘slechts op de winkel paste’. Die iets willen ‘achterlaten’, desnoods een rokende puinhoop. Omdat ze niet aansluiten bij een breed gedeelde, diep gevoelde behoefte. Omdat de burger het ‘probleem’ waarvoor zij de oplossing vormen, domweg niet ziet.

Zien we het probleem wel, zoals na de watersnood van 1953, dan stampen we waterwerken uit de grond die onmiddellijk op Unesco-lijsten prijken en waar busladingen ingenieurs zich nog dagelijks aan vergapen.

In die zin kunnen we Geert Wilders dankbaar zijn, dat hij met die ‘tsunami’ en soortgelijke hyperbolen wel een gevoel van urgentie heeft weten te creëren rond immigratie en integratie. Een potentieel draagvlak voor een ambitieus nationaal project om eens echt werk te maken van de inpassing van immigranten in de Nederlandse samenleving en cultuur.

„Net als na de watersnood van 1953 komt uw plan veel te laat”, schreef NRC-lezer Robert van Waning. Hij sloot een ingezonden brief bij uit 1991, waarin hij wees op de te grote volumes niet-westerse immigranten, een gebrek aan beleid om ze te integreren én een gebrek aan consensus over wat dat beleid zou moeten zijn. Hij ontving destijds welgeteld één reactie: van Frits Bolkestein. Laat, ja, maar té?

Het Deltaplan kwam voort uit twee dingen: de erkenning dat wij de gevaren van het water onderschat hadden en het besef dat wij inmiddels over de middelen beschikten om die risico’s te bedwingen. Dit geldt ook voor het integratieprobleem. Wij waren naïef, te optimistisch, maar het probleem zal niet verdwijnen en de stromen en golven zijn onvoorspelbaar, zo blijkt telkens weer. Er zijn slachtoffers gevallen, laten we zorgen dat het er niet méér worden.

De stormvloedkering in de Oosterschelde, het meest ambitieuze onderdeel van de Deltawerken, werd in 1986 opgeleverd, 33 jaar na de watersnood. Het laatste project werd pas in 1991 gestart. Van global warming had in 1953 nog niemand gehoord. Toch prettig dat we er voorlopig tegen beschermd zijn.

Maar elke metafoor heeft zijn beperking. Hier zou die beperking kunnen zitten in de mentaliteit van de uitvoerders. Sociologen zijn geen ingenieurs. Waterbouwkundigen willen niets liever dan het water hun wil opleggen. De gamma-experts die nodig zijn voor dit Nieuwe Deltaplan, willen zij dat ook? Misschien moet dat de eerste stap zijn, het ‘vroege werk’, zoals het in Delft heet: de opleiding van een nieuwe lichting integratiebouwkundigen. Die hun werk serieus nemen en de ruimte krijgen om het doen.