Column

Uitsmijter

Vorige zomer vond hij een terugkeer naar de Nederlandse competitie nog te vroeg. Het werd Real Betis Sevilla in de Primera Division. Er waren geruchten dat hij tijdens de winterstop alsnog naar Ajax zou verkassen, maar deze week gooide coach Frank de Boer de deur dicht. Rafael van der Vaart kon zijn club niets bijbrengen, dixit De Boer.

Daar staat hij nu, de 109-voudige international. Welgeteld twee keer kreeg hij een basisplaats bij Betis, en vijf keer mocht hij invallen. Taaie tribuneklant. Zijn toekomst in Spanje lijkt uitzichtloos. De kans is groot dat een van de mooiste spelers in de Nederlandse voetbalhistorie zijn carrière beëindigt als een geslagen hond.

Rafael van der Vaart: niet eens meer a hero, just for one day.

De afwijzing van Ajax moet hem door het hart zijn gesneden. Het was zijn club, zijn jeugd, zijn uitvalsbasis naar de grote wereld. Hij verwierf er naam en faam als grootmeester van de fijne baltoets met een gedrapeerd schot. Ongekende signatuur van hem alleen, tijdloos, gezichtsbepalend.

Toen ik hoorde dat De Boer de begenadigde middenvelder definitief had afgeschreven, moest ik aan Johan Cruijff denken. Aan zijn blijde intrede bij Feyenoord dat meteen landskampioen werd. Ik begrijp dat Heracles of Willem II niet tot de verbeelding spreekt van een briljante kunstenaar, maar Feyenoord is ook geen weeshuis voor mankepoten. Terechte titelpretendent en met coach Giovanni van Bronckhorst altijd geroepen tot verzorgd voetbal. Geen dorsvlegelwedstrijden meer. Ik weet het zeker: Van der Vaart bij Feyenoord wordt een succes.

Het land, het volk en zijn leiders kan een man die zoveel artistiek genot heeft gebracht niet laten verdampen in onverschilligheid. De vreugde die hij ons bij Ajax en Oranje heeft nagelaten, verplicht. Zijn meesterlijke vernuft mag niet uitgerookt worden op de bank of in de tribune. Rafael moet spelen en orkestreren, als het in Sevilla niet mag, dan maar in de Kuip. Tot vijandigheid van het legioen komt het niet – iedereen weet hoe lief en openhartig Van der Vaart is. Crème de la crème als voetballer en als mens. Liefde voor het oprapen, waar hij gaat of staat.

Van der Vaart verdient het om langs de grote poort uit het voetbal te stappen. Niet als een schuifelende schim die bang is voor herkenning. Niet als bankzitter. De voorbije jaren was de ellende nog nauwelijks te overzien. Van blessure naar blessure, van de basis naar de bank en weer terug, een jojo van vallen en opstaan. Ook nog met HSV verwikkeld in een gevecht tegen degradatie waardoor de stilist zich moest ontluisteren tot steenkapper. Daarnaast problemen in de privésfeer met een fabulerend lief en een ex die zeven roddelbladen tegelijk liet volschrijven. Natuurlijk was hij als gewezen kamper niet gewapend tegen al die glamouronzin. Rijkdom waren simpele accordeondeuntjes die zijn avonden als kind hadden gevuld. De wereldse kakofonie bracht hem alleen maar in de war.

Rafael van der Vaart is als voetballer altijd zichzelf gebleven. Goedlachs, beleefd, attent. De decadentie van geld en roem heeft nooit zijn hart bereikt.

In zijn tijd bij Hamburg hadden we eens afgesproken samen een vorkje te prikken in Amsterdam, Amstel Hotel. Hij en Sylvie Meis waren nog samen. Toen de ober de bestelling kwam opnemen werd Rafael zenuwachtig, hij keek alle kanten uit, behalve naar de kaart. Sylvie had allang negen Zeeuwse oesters en een wijntje besteld. Na lang aarzelen keek Rafael bijna blozend de ober aan en vroeg half stotterend: ,,Zou een uitsmijter ook kunnen?”

Ik had hem wel kunnen zoenen.