‘Taboe op onderzoek relatie zedenmisdrijf en herkomst’

Na de aanrandingen in Duitsland en Zweden rijst de vraag of de culturele achtergrond van de daders een oorzaak is van hun gedrag.

Er rust in Nederland „een soort wetenschappelijk taboe” op onderzoek naar de relatie tussen zedenmisdrijven en de herkomst van de daders. Dat zegt forensisch psycholoog Wineke Smid, voorzitter van NL-ATSA, de Nederlandstalige vereniging voor preventie van zedendelicten. Ze werkt bij De Forensische Zorgspecialisten.

Het debat over de eventuele relatie tussen herkomst en zedendelinquentie is opgelaaid na de massale aanrandingen in Keulen, Hamburg en Stockholm, waarbij onder anderen vluchtelingen vrouwen betastten en, in enkele gevallen, verkrachtten. Harde cijfers over hoe vaak dat voorkomt zijn zeer lastig te vinden.

Voor haar eigen proefschrift (uit 2014) deed Wineke Smid onderzoek naar de daders bij zedenmisdrijven. Zij constateert uit een steekproef van daders tussen 1996 en 2008, dat verkrachtingen in Nederland relatief vaak worden gepleegd door niet-westerse allochtonen. Autochtonen zijn juist weer oververtegenwoordigd als het aankomt op kindermisbruik.

Onderzoekers Catrien Bijleveld en Melvin Soudijn onderzochten in 2008 specifiek de verdachten van groepsverkrachtingen en -aanrandingen. Ook hier blijken minderheden relatief vaak daders: van de 1.858 verdachten was 43 procent ‘autochtoon’ en 57 procent ‘allochtoon’.

Verdacht van een zedenmisdrijf

Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert cijfers over zedenmisdrijven. Uit de jongste data blijkt dat in 2014 3.350 mensen werden verdacht van een zedenmisdrijf. Zo’n 58 procent was autochtoon, 11 procent ‘westers allochtoon’ en 31 procent ‘niet-westers allochtoon’. Die laatste groep (12 procent procent van de bevolking) is dus ruim oververtegenwoordigd.

Dit zijn ruwe data, waarschuwt onderzoeker Roel Jennissen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). In 2007 deed Jennissen, als eerste, hier gedetailleerd onderzoek naar. Zijn conclusie: niet-westerse allochtonen plegen relatief vaker zedenmisdrijven dan autochtonen. De uitschieters zijn mensen van Antilliaanse komaf, die 6,5 keer vaker een zedendelict plegen, gevolgd door mensen uit sub-Sahara Afrika (6 keer) en Arabische landen (5 keer). Jennissen: „Die groepen bestaan uit relatief jonge mensen. Corrigeer je de data voor leeftijd en geslacht, dan neemt de oververtegenwoordiging af, maar verdwijnt ze niet.”

Uit 2008 dateert een onderzoek op basis van politiegegevens, van criminologen Anton van Wijk en Arjan Blokland. Zij onderzochten de etniciteit van zedendelinquenten in het jaar 2005. Hun conclusie: alle etnische minderheden zijn oververtegenwoordigd, op Indonesiërs na.

Zij splitsen ook uit naar het type delict. Afrikanen en Antillianen bleken oververtegenwoordigd in verkrachtingszaken (respectievelijk 11,6 en 10,7 per 10.000 inwoners vergeleken met 0,8 per 10.000 voor autochtone Nederlanders), en personen uit het Midden-Oosten in aanrandingszaken. Een verklaring daarvoor biedt het onderzoek niet.

Dat komt vaker voor in deze publicaties: naar causaliteit is géén onderzoek gedaan. „We moeten vooral niet bang zijn om dit te onderzoeken als een cultureel fenomeen”, zegt Wineke Smid. „Dit soort onderzoek moet uit de taboesfeer.”