Start-up of saaie mkb’er?

Start-ups zijn überhip. Fijn om over praten, leuk om over te lezen. Zelfs De Groene Amsterdammer schrijft erover. Maar overstijgt het belang van start-ups hun entertainmentwaarde? Hoe zat het ook alweer? Een start-up is geen doorsnee startend bedrijf. In rapporten en artikelen keren drie kenmerken steeds terug. Start-ups leveren 1) innovatieve producten of diensten; 2) meestal met behulp van nieuwe technologie; 3) het bedrijf is schaalbaar, klaar voor internationale groei. Succesvolle voorbeelden: Airbnb, Uber, Dropbox, Spotify, Catawiki, Travelbird.

Ook de overheid is gek op start-ups. „Van alle nieuwe banen in Nederland is 40 procent afkomstig van bedrijven die vijf jaar geleden nog niet bestonden”, zei minister Kamp van Economische Zaken vorig jaar bij de lancering van Startup Delta. Dit initiatief hoopt Nederland op de kaart te zetten als hét land om je start-up te beginnen.

Kamp heeft het over ‘nieuwe bedrijven’, maar gaat het daarbij ook echt over start-ups?

Nederland noteerde volgens het economisch bureau van de ING vanaf 2010 jaarlijks gemiddeld 127.000 nieuwe ondernemingen. Daarvan verdienen er slechts enkele honderden per jaar het predicaat start-up.

Het lijkt me stug dat daar tot nu toe in Nederland veel arbeidsplaatsen door zijn ontstaan. Te meer omdat een start-up pas goed is voor de werkgelegenheid als hij doorgroeit. En dat lukt slechts in één op de tweehonderd gevallen.

Dit laatste cijfer komt uit een internationaal onderzoek van Deloitte naar ‘scale-ups’. Scale-ups? Een scale-up is een start-up die weet door te groeien naar een miljoenenomzet en daarbij ook serieuze werkgelegenheid creëert. Volgens het onderzoek van Deloitte spelen toeval en geluk daarbij een belangrijke rol. Maar er zijn ook enkele andere factoren in het spel.

Scale-ups hebben ervaren leiders. Ze blijken meestal te zijn opgericht door een team van academici van boven de 40. Met behoorlijk wat werkervaring en kennis van de sector en markt waarin ze werken.

Ook hebben scale-ups in 85 procent van de gevallen een model dat is voorbereid op internationalisering. Gemodelleerd naar Google bijvoorbeeld, dat – heel klassiek – een centrale ontwikkelafdeling en decentrale verkoopkantoren heeft. Bij de meeste start-ups wordt hier niet over nagedacht.

En voordat ze naar de markt gaan bereiden scale-ups zich gemiddeld meer dan twee keer zolang voor als start-ups. Bovendien mikken ze op bewezen groeimarkten. Denk aan de manier waarop taxidienst Uber aansloot op de ‘sharing-trend’.

De stap van start-up naar scale-up is niet eenvoudig. Ervaringsdeskundige Quintin Schevernels schrijft in zijn recente boek Suits & Hoodies dat het gaat om het aantrekken van de juiste mensen, soms met tientallen tegelijk. Waarbij je tegelijkertijd de innovatieve cultuur probeert vast te houden. Intussen moet je investeerders vinden die de snelle groei kunnen financieren. Daarnaast wordt managen belangrijker.

Goed. Zijn start-ups echt zo belangrijk? Zonder start-ups geen scale-ups. Maar ook de impact van scale-ups op onze economie is niet groot. Verreweg de meeste werkgelegenheid in Nederland komt dit jaar uit het ‘gewone’ midden- en kleinbedrijf (voorspellen minister Kamps eigen ambtenaren). Saaie bedrijven die niet zo leuk zijn om over te lezen en te praten als start-ups en scale-ups, maar die wél mensen aan werk helpen en belasting betalen.