Nederland zinkt!

De overstroming van 1953 is bekend, maar die van 1916 veranderde Nederland en trof veel gezinnen. Ook die van de familie Koelewijn uit Spakenburg.

Vrouwen en kinderen in Spakenburg na de overstroming, 1916. Foto Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Koeien in de straten van Amsterdam, wankelend op hun poten, de koppen omlaag. Ze worden voortgedreven door soldaten, naar de slacht, het enige waar ze nog goed voor zijn. Bij het IJ: ramptoeristen. Ze proberen naar de overkant te komen, naar Nieuwendam en Buiksloot, en verder weg nog, Durgerdam, Broek in Waterland. Ze willen met eigen ogen zien hoe dat is: verdronken vee, verwoeste boerderijen, wanhopige boeren en vissers die proberen te redden wat er te redden valt.

Het is maandagochtend 17 januari 1916, drie dagen nadat door een zware noordwester storm en een uitzonderlijk hoge waterstand de dijken rond de Zuiderzee deels zijn doorgebroken en het achterliggende land is overstroomd. Verslaggever M. (Minne) van der Staal van het christelijke dagblad De Rotterdammer is aangekomen op het Centraal Station en al is Amsterdam dan nét niet óók nog ondergelopen, hij merkt meteen hoe ernstig de toestand is.

Naar Marken wil hij, een eiland toen nog, want daar zijn doden gevallen, onder wie kinderen, en het verhaal dat hij wil schrijven moet zo aangrijpend mogelijk zijn. Hij werkt in opdracht van het Watersnood-Comité, dat met de publicatie van zijn verslag, in boekvorm, geld wil inzamelen voor de getroffenen.

Een harde werker, Van der Staal. Hij reist van 17 tot 21 januari door de getroffen gebieden – in driedelig pak met hoed en das – en hij schrijft van 22 tot 26 januari zijn boek: Januari-vloed 1916, bijna honderd bladzijden. Eind van de maand ligt het in de winkel, veertig cent per exemplaar. Zonder één spel- of tikfout.

Een van die exemplaren vond ik een jaar of wat geleden bij mijn vader op zolder, in het houten eierkistje met spullen die nog van mijn grootvader zijn geweest. De kaft was verdwenen en hier en daar ontbraken er bladzijden, maar ik las het in één keer uit, tussen de stofwolken en de spinnenwebben. Ik had er nooit bij stilgestaan dat de Stormvloed van 1916 het aanzien van Nederland zo grondig had veranderd en het lot van zo veel families had bepaald, ook van mijn familie.

Afsluitdijk

Ja, de Watersnoodramp van 1953 was erger. Hardere wind, hogere golven, meer doden: 1836 tegenover nog geen 40. En de Deltawerken die we daarna kregen hebben Nederland ook veranderd. Maar na de Stormvloed van 1916, in de nacht van 13 op 14 januari, besloot de Tweede Kamer tot de uitvoering van de Zuiderzeewerken – er was vijfentwintig jaar over gediscussieerd – en toen kregen we de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders. We kregen Emmeloord en Lelystad en Almere.

En het was afgelopen met de Zuiderzeevisserij. De dorpen langs de kust verkommerden, vissers en zeilmakers en touwslagers en al die andere mensen die hun brood in de visindustrie hadden verdiend werden tewerkgesteld in met staatssteun opgerichte fabrieken. Dat was nieuw toen: staatssteun voor mensen die de dupe waren geworden van infrastructurele overheidsbesluiten. Alleen de Urkers pakten het slimmer aan. Die eisten (en kregen) geld waarmee ze hun haven en hun schepen naar havens langs de Waddenzee en de Noordzee konden verplaatsen om van daaruit op de Noordzee te gaan vissen. En zo doen ze het nog steeds.

Genesis 12:1

Mijn grootvader, een vissersjongen uit Spakenburg, geboren in 1900, had geen zin om in de knopenfabriek achter de lopende band te gaan staan en liet zich omscholen tot politieman. Met de zegen van de dominee (Ga uit uw land en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal – Genesis 12:1) trouwde hij met een boerin uit Bunschoten en samen verhuisden ze naar Amsterdam-Noord. Dat was in 1928. Ze leerden min of meer ABN spreken en kieperden de inhoud van de nachtpo’s ’s morgens niet meer uit het raam, zoals ze gewend waren geweest. Mijn grootmoeder legde haar klederdracht af en nam een kunstgebit – het huwelijksgeschenk van haar vader.

In 1916 bestond Amsterdam-Noord nog niet eens. De dorpjes boven het IJ waren nog zelfstandige gemeenten. Van der Staal, die na uren wachten een plek op de sleepboot „van den heer De Zwart aan de Oosterdokskade” had gekregen, beschrijft ze als eilandjes in een onafzienbare watervlakte, waarover met vee volgeladen „platboomde schuiten” worden voortgeduwd. Op Marken, waar hij in de middag aankomt, is het een en al verwoesting en chaos. De botters zijn door de vloedgolven opgetild en soms wel honderd meter verderop weer neergesmeten, bovenop elkaar. De huizen, van hout en op palen, zijn van hun fundamenten gerukt en omvergeworpen.

Maar veel erger dan de „stoffelijke schade”, schrijft Van der Staal, is het verlies aan mensenlevens. Van alle achttien verdronkenen hier vertelt hij hoe hun laatste uren geweest moeten zijn. Visser Klaas de Waard, 35 jaar, was met zijn vrouw en hun twee kinderen – een meisje van twee en een jongetje van vier – op het dak van hun gekantelde huis geklommen en riep naar de buren: „Menschen, kunt ge ons niet helpen? Kom met een bootje!”

Maar de buren konden niet bij hen komen, de zee was te woest. Om vier uur ’s nachts hadden ze hem nog horen schreeuwen, om zes uur gaf hij geen antwoord meer. Zijn lichaam werd niet meer teruggevonden, dat van zijn vrouw wel – „de armen die haar kinderen omvat hebben gehouden in doods-verstijving nog gebogen”.

Van een gezin van zes wezen waren er drie omgekomen, drie meisjes (Pietertje, Jannetje en Wolmet) die de bedsteden in waren gevlucht, want zo hoog zou het water toch niet komen. Van het gezin van zeven van Kees Zeeman, 48 jaar, verdronken er vijf, de jongste was anderhalf. „Men heeft mij verteld”, schrijft Van der Staal, „dat aan Zeeman een reddingsboei was toegeworpen, die echter door de golven meedogenloos werd weggevoerd. Daarna wierp men hem een hout toe, dat – gelukkig! – tegen hem aandreef. Nu kon hij zich drijvende houden met het jongste kind, dat hij in zijn arm hield! Helaas, hij scheen besefloos. ’t Was, of hij meende, dat dit stuk hout zijn tweede kind was: hij drukte het vast tegen zich aan, maar toen – misschien ontwarend, dat hij slechts een levenloos ding aanvatte – liet hij het weer los!” Kees Zeeman werd gevonden met zijn jongste kind nog tegen zich aangeklemd.

Een paar dagen later vaart Van der Staal met twee vissers van Eemdijk naar Bunschoten en Spakenburg. „Het leed”, vertelt hij dan, „dat over dit vissersdorp gekomen is te beschrijven, is een plicht, die te zwaar is.” Geen huis is onbeschadigd gebleven, sommige huizen zijn helemaal verdwenen, het lijkt wel of er een „verschrikkelijk en onbarmhartig” bombardement is geweest. (In de rest van Europa woedde de Eerste Wereldoorlog.) Doden zijn er in Spakenburg niet gevallen, maar Van der Staal wil de aandacht van zijn lezers graag vasthouden.

Een ongeschonden Bijbel

Hij hoort hoe een visser, Hendrikus de Jong, om 11 uur ’s avonds de kleren bij elkaar wilde pakken – zijn vrouw en twee kinderen waren al weg – toen hij werd overvallen door het water. Hij vluchtte de ladder naar zolder op en daar moest hij tot 4 uur ’s nachts wachten voordat hij over de daken van zeven, acht huizen heen gered kon worden. „M’neer, ik kos d’n andren dag niks anders doen dan schreien, da’k nog gered wás!”

Een andere visser, Arie Jan de Graaf, is alles kwijtgeraakt, „totaal álles”, behalve één schat: zijn nog geheel ongeschonden Bijbel. Dat kon geen toeval zijn. En dan is er het verhaal van Jan Ruizendaal, die ook alles kwijt is, „zijn huis en zijn goed én zijn geld”. Dat geld had hij vlak voor de storm tussen de bedden gestopt omdat hij wilde gaan kijken bij een hooiberg die verderop in brand stond. „En het is al een keer of wat gebeurd”, vertelt hij aan Van der Staal, „als er op het één eind brand was dat er in het andere gedeelte van het dorp gestolen werd.” Een paar uur later had hij al zijn spullen de zee in zien spoelen, ook de bedden met het geld ertussen.

Het nieuws over de stormvloed was voor onze begrippen traag op gang gekomen, de kranten begonnen er pas na een paar dagen over te berichten. Alleen De Telegraaf had er op de ochtend van 14 januari al een paar verslaggevers op uit gestuurd, in een auto. ’s Avonds stond er op de voorpagina: Groote Watersnood In Ons Land. Zuiderzeedijken Op Verschillende Plaatsen Doorgebroken. In het verhaal daarna staat dat die dijken verzwakt waren. De laatste stormvloed was in 1825 geweest en sindsdien was de aandacht voor het onderhoud verslapt. Maar geen kwaad woord over de „hoge heeren” die daarvoor verantwoordelijk zijn. Laat staan dat ze de schuld krijgen. Hun wordt veel wijsheid toegewenst.

De wil van God

En wat schrijft Van der Staal? Dat alles wat Rijk en Gemeenten menen te moeten doen om de gevolgen van de overstroming weg te nemen bij voorbaat welgedaan is, hoe hoog de kosten ook zullen zijn. Gelukkig is door de Nederlandse weldadigheidszin al een „millioen [gulden] samengebracht”. Voortreffelijk, maar niet genoeg. De gaven moeten nog meer en rijker vloeien. „Ieder geve, naar vermogen! Ieder móét geven!”

Rampen gebeuren en de mens heeft ze lijdzaam te ondergaan. Zo denkt Van der Staal erover. Al gaat hij niet zo ver als Willem Bilderdijk, van wie hij aan het begin van zijn boek een gedicht citeert. Willem Bilderdijk (1756-1831), dichter, historicus en advocaat, was toen nog een nationale held met veel invloed, vooral in christelijke kringen. Hij houdt zijn lezers voor dat overstromingen de wil van God waren, en alleen „verdwaasde stervelingen” probeerden de natuur te temmen door grachten te graven en dijken te bouwen.

Gelukkig Land, door God bestemd

Een nijver volk te voeden,

Dat trouw en braafheid eeren zo

In ’t midden van zijn vloeden.

Grachten en dijken als een grove schending van Zijn soevereiniteit – die opvatting lijkt na de negentiende eeuw (natuurwetenschappen, Darwin) wel achterhaald. Van der Staal schrijft dat mensen natuurlijk nog wel vóór alles op God moeten leunen en zichzelf moeten toevertrouwen aan Zijn almachtige bescherming. Maar dan: „Wèrken, rusteloos arbeiden [...] om vrij te blijven van de verschrikkelijke verwoesting, die een overstrooming te weeg brengt.”

Geleerden hebben tegen hem gezegd dat de bodem van Noorwegen uit zee oprijst, en dat die van Nederland daalt. Hij wil zich verder niet in de discussie over voor of tegen de Droogmaking der Zuiderzee mengen – „ ik heb de mij gestelde grenzen reeds overschreden” – maar dit wil hij de lezer aan het slot van zijn boek wel op het hart drukken: „Nederland Zinkt!”

Mijn grootouders en mijn vader hadden het nooit over de Stormvloed van 1916. Als het over ‘de watersnood’ ging, dan bedoelden ze die van 1960 in Amsterdam-Noord. Een watersnoodje van niks. Eén doorgebroken dijkje, nul doden. Maar het huis waar ze na hun verhuizing uit Spakenburg waren gaan wonen was wel ondergelopen.

„Je grootvader heeft zijn leven lang heimwee gehouden naar zijn geboortedorp”, zegt mijn vader als ik hem vraag waarom er nooit over 1916 gepraat werd. „Maar wat had hij er verder over moeten zeggen? Het was zoals het was.”

Mijn vaders grootmoeder, die tot haar dood aan de oever van voorheen de Zuiderzee woonde, vertelde hem wel vaak het verhaal van haar honden, die in de dagen na de overstroming hun voer lieten staan, „zelfs een gebakken karbonade”. Ze hadden zich tegoed gedaan aan de koeienkadavers die in het water ronddreven. Die honden liepen normaal voor de hondenkar waarmee mijn vaders grootmoeder vis ging venten in Amersfoort en Baarn, en op vrijdagen helemaal in Oosterbeek.