Kwaden uit het verleden, problemen in het heden

Denk je eens in dat midden in Washington een monument zou worden opgericht voor de moord op de Indianen, schrijft Susan Neiman. Ieder land met een kwaad geweten zou aan ‘verledenverwerking’ moeten doen, vindt ze.

Vlak na de atoombom op Hiroshima, op 6 augustus 1945. De foto is genomen door het Amerikaanse leger.

Goed nieuws was schaars in 2015. En toch… Midden in Europa was er een lichtpuntje. Toen mensen in grote drommen begonnen weg te vluchten uit het Midden-Oosten, viel een racistische menigte in het Saksische dorpje Heidenau een voorlopig asielzoekerscentrum aan.

De Duitse bevolking – en dan bedoel ik echt het volk, niet alleen linkse intellectuelen – reageerde vol weerzin. ‘De schande van Heidenau’ luidde een krantenkop in Bild Zeitung, het grootste massablad van Duitsland. Twee weken lang heetten mensen uit alle lagen van de maatschappij vluchtelingen welkom. Ze schonken voedsel en kleding, en ook hun tijd – om de vluchtelingen Duits te leren en ze te helpen bij hun gang door de bureaucratie. Na twee weken van massale hulp sprong Merkel op deze rijdende trein en nam de leiding. Voor het eerst koos ze voor een riskante politieke stellingname die haar in conflict bracht met een deel van haar eigen partij.

De wijze waarop duizenden Duitsers de vluchtelingen welkom hebben geheten, is oprecht en komt voort uit een lange worsteling met het Duitse verleden. Het aanvankelijke neonazistische geweld tegen vluchtelingen wekte de weerzin van de meerderheid en leidde in het hele land tot een reactie: gewone Duitsers hebben geleerd hoe gevaarlijk het kan zijn om werkeloos toe te zien bij vreemdelingenhaat en waren vastbesloten om te voorkomen dat het verleden zich zou herhalen.

Duitslands omgang met zijn verleden is zo ingewikkeld dat er verschillende lange woorden zijn om die te beschrijven, waaronder Vergangenheitsaufarbeitung en Vergangenheitsbewältigung. De intensieve omgang met het verleden is weleens Duitslands meest kenmerkende exportproduct genoemd. Zoals elke Duitser zal erkennen, is de verwerking van het eigen verleden niet perfect geweest. Maar hoe onvolmaakt ook, toch is hier een prestatie geleverd waarvan de rest van de wereld iets kan leren.

Ons verlangen om het kwaad buiten onszelf te situeren is even normaal als wijdverbreid. In de antieke wereld werd zelfs onbedoeld kwaad gezien als iets wat de gemeenschap bezoedelde; toen Oedipus zijn vader doodde en zijn moeder huwde, werd hij verbannen. Zoals dit verhaal ons in herinnering brengt, zijn we geneigd het kwaad te verdrijven van ons eigen grondgebied. Of om het wat minder metafysisch te formuleren: we willen dat onze voorouders eerbare mensen waren en we willen ze eren.

Hoe verontrustend hun daden ook geweest mogen zijn, toch nemen we aan dat hun handelen uit de zuiverste beweegredenen voortkwam. Het zijn per slot van rekening ónze voorouders. Mijn grootvader heeft zijn leven gegeven voor het vaderland dat hem zo dierbaar was; wat is daar crimineel aan? Mijn oudoom is niet in de strijd gevallen omdat hij een racist was, hij verdedigde zijn geboortestreek. Tijdens de debatten over de Confederatievlag na de recente moord op negen kerkgangers in het Amerikaanse Charleston waren dergelijke opmerkingen te horen van South Carolina tot Texas.

Die reacties vertoonden gelijkenis met het commentaar van bezoekers aan de tentoonstelling Vernichtungskrieg. Verbrechen der Wehrmacht 1941 bis 1944, die in de jaren ‘90 in Duitsland en Oostenrijk te zien was. Aan de hand van brieven en foto’s van militairen liet de tentoonstelling zien dat de oorlogsmisdrijven van de nazi’s niet uitsluitend begaan waren door de elitetroepen van de SS, en ook niet door een klein aantal individuele uitzonderingen.

In de ogen van buitenlandse waarnemers, en zelfs van veel Duitse historici, was de stelling dat de Wehrmacht zich systematisch schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden ongeveer net zo omstreden als de stelling dat de aarde rond is. De kloof tussen de historische wetenschap en het geheugen van het gewone publiek bleek echter enorm; de tentoonstelling doorbrak het laatste taboe uit de nazitijd. Met achttien miljoen militairen vormde de Wehrmacht een bredere dwarsdoorsnede van de Duitse samenleving dan welke andere organisatie ook. Elke Duitser had wel een vader, zoon of broer die erin gediend had, en uit de reacties op de tentoonstelling bleek dat de meesten van hen nog steeds geloofden in de mythe dat de Wehrmacht zich niet alleen nergens schuldig aan had gemaakt, maar zelfs ridderlijk had gevochten.

Het verwerken van Duitslands criminele verleden is geen abstracte of academische exercitie geweest; daarvoor ging het allemaal te diep. Het hield in dat ouders en leraren op hun verleden werden aangesproken en hun gezag volkomen verloren. De jaren zestig zijn in Duitsland heel wat roeriger verlopen dan in Praag of Parijs – om maar te zwijgen van Berkeley – omdat ze niet gericht waren op de wandaden van iemand in het verre Vietnam, maar op misdrijven die heel wat dichterbij hadden plaatsgevonden en waren gepleegd door mensen tussen wie de jonge Duitsers waren opgegroeid.

Buiten Duitsland denken velen nog steeds dat de nazi’s hun kracht baseerden op ongeletterde horden. In werkelijkheid vormden mensen uit hoger opgeleide kringen de grootste groep binnen het ledenbestand van de NSDAP. De kinderen van deze mensen eisten dat alle instituties op alle niveaus grondig gezuiverd en opnieuw opgebouwd werden.

Tientallen jaren lang omvatte die grondige revisie niet alleen lesprogramma’s en gerechtelijke onderzoeken, maar heeft ze ook een overheersende rol gespeeld in het publieke debat. Die revisie heeft niet alleen geleid tot het ontstaan van kunstwerken, films, boeken en televisieprogramma’s, maar heeft ook een aantal Duitse steden een ander aanzien gegeven. Naast het het Holocaustmonument in Berlijn, zijn er ook nog de meer dan zesduizend veel kleinere maar heel wat indringendere Stolpersteine die de Duitse kunstenaar Gunter Demnig in het trottoir heeft gehamerd op adressen waar voor de oorlog Joden woonden; op elk messing tegeltje staan een naam, een geboortedatum en een deportatiedatum.

Ter vergelijking: denk je eens in dat midden in Washington Mall een monument wordt opgericht voor de slaventransporten van Afrika naar Amerika of de genocide op inheemse Amerikanen. Of een monument met de aantallen, of zelfs de namen, van de Vietnamezen die sneuvelden tijdens wat zij de Amerikaanse Oorlog noemen, naast het monument voor de Amerikaanse militairen in wat wij de Vietnamoorlog noemen.

Er is een twintigste-eeuws kwaad waar ook in Washington ruimte aan wordt besteed: de Holocaust. Het lijkt verbazingwekkend dat een gebeurtenis die in Europa plaatsvond zo’n prominente rol is gaan spelen in de Amerikaanse nationale symboliek. Vooral ook omdat de VS voorafgaand aan de Holocaust zo weinig hebben gedaan om Joodse vluchtelingen te redden. Britse archieven bevatten koud makende documenten die aantonen dat veel Engelse beleidsmakers de Joden liever lieten uitmoorden dan ze in Engeland toe te laten.

Kunnen de middelen die worden besteed aan het herdenken van een kwaad waar geen van beide landen veel tegen heeft ondernomen voortkomen uit schuldgevoel? Die vraag wordt zelden gesteld, want het enige begrijpelijk antwoord lijkt een antisemitische verwijzing naar de Joodse lobby. De vooraanstaande rol van de Holocaust in de Amerikaanse cultuur heeft een cruciale functie: we weten wat het kwaad is en wie er verantwoordelijk voor was.

Hoewel zich ook na het verdwijnen van de nazi’s nog genocidale moordpartijen hebben voorgedaan, is de stelling dat mensen oppakken en ze naar de gaskamers sturen slecht is de enige universele morele consensus waarover we beschikken. Een symbool van het absolute kwaad verschaft ons een gouden standaard, en als we andere wandaden daartegen afmeten, lijken die misschien minder erg. De focus op Auschwitz vervormt onze morele blik: net als bijziende mensen herkennen we alleen nog wat groot en opvallend is, terwijl alles eromheen vaag en wazig blijft.

Om het in psychoanalytische termen te stellen: de aandacht voor Auschwitz is een vorm van verplaatsing van wat we niet willen weten over onze eigen nationale misdrijven. Hoewel er met voorspelbare regelmaat boeken en films over nazi-Duitsland verschijnen, is in de Amerikaanse en Britse populaire cultuur vrijwel niets bekend over wat zich in de zeventig jaar daarna in Duitsland heeft afgespeeld.

En zoals de meest recente Amerikaanse debatten over de vlag van de Confederatie en andere symbolen van slavernij en segregatie hebben uitgewezen, is veel historisch onderzoek over de slavenhandel en de rassenscheiding in het Amerikaanse zuiden tot voor kort niet doorgedrongen tot het publieke geheugen.

Ik beschouw deze debatten als een hoopvol teken dat wij Amerikanen beginnen te worstelen met onze eigen criminele geschiedenis. We beginnen nu te onderkennen hoe het niet onderzochte verleden zich met geweld een weg baant naar het heden.

Zo’n morele oefening helpt ons om niet alleen eenvoudige maar ook complexe vormen van het kwaad te herkennen, en bereidt ons erop voor om een begin te maken met preventie daarvan. Want hoe meer we onze aandacht richten op simpele modellen van het kwaad, hoe minder oefening we krijgen in het onderkennen van gecompliceerde vormen daarvan. En het zijn de gecompliceerdere vormen van het kwaad die het Amerikaanse binnenlandse beleid tegenover Afrikaanse Amerikanen hebben bepaald, en datzelfde geldt ook voor het Amerikaanse en Britse buitenlandbeleid: van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki tot aan de rampzalige inval in Irak. Deze oefening dient niet beperkt blijven tot historici, maar moet deel gaan uitmaken van het publieke geheugen.

Nu vraagt u zich misschien af of ik beweer dat de atoombom op Hiroshima net zo’n kwaad was als het vermoorden van kinderen door de nazi’s; of dat de koloniale uitbuiting in de Kongo al net zo weerzinwekkend was als de wijze waarop de nazi’s miljoenen Slaven tot slaaf hebben gemaakt. Wie heeft het recht om vergelijkingen te maken? Dit is geen triviale vraag. De nazi’s gebruikten foto’s van Amerikaanse lynchpartijen om te betogen dat het Amerikaanse racisme erger was dan de Neurenberger rassenwetten. De Duitse oorlogsmisdrijven en de geallieerde bombardementen op de Duitse bevolking werden in het bezette Duitsland soms met elkaar vergeleken.

Hoewel daarbij vooral aandacht werd besteed aan de door ‘tapijtbombardementen’ veroorzaakte vuurstormen in Hamburg en Dresden, zijn tegenwoordig in Duitsland en Oostenrijk nog steeds verwijzingen te horen naar de ‘atoomholocaust op de Japanners’. Die vergelijkingen hebben altijd centraal gestaan bij pogingen om Duitsland vrij te pleiten, door aan te voeren dat de oorlogsmisdrijven van de Wehrmacht niet erger waren dan die van de geallieerden, en de genocide door nazi’s niet erger was dan de uitroeiing van inheemse Amerikanen.

Ik kies ervoor om gehoor te geven aan de aansporing van Tzvetan Todorov: Duitsers dienen over de specificiteit van de Holocaust te spreken, en Joden over de universaliteit daarvan. Een Duitser die spreekt over de specificiteit van de Holocaust neemt zijn verantwoordelijkheid: een Duitser die spreekt over de universaliteit daarvan ontkent die. Als ik door de verschillende wijzen waarop elk land zijn eigen nationale misdrijven heeft verwerkt een impliciete vergelijking maak tussen Auschwitz en Hiroshima, schrijf ik als Joods-Amerikaanse die ontzet is over de weigering van haar land om de eerste stap te zetten in het nemen van verantwoordelijkheid voor Hiroshima.

Om informatie over Auschwitz te ontwijken moet je de afgelopen dertig jaar in een klooster hebben gezeten. Maar het materiaal dat beschikbaar is over de oorlog in de Pacific en de bommen op Hiroshima en Nagasaki is makkelijk over het hoofd te zien. Sommige critici beschouwen zulke vergelijkingen als erger dan weerzinwekkend, en de pogingen van een Amerikaanse om de misdrijven van haar land te onderzoeken als zelfhaat. Die term is ook gebruikt door Duits rechts, dat exercities als de Wehrmachttentoonstelling als nestbevuiling heeft veroordeeld. In feite was dat juist het uitmesten van het nest, nadat jarenlang het vuil onder het tapijt was geveegd. Het valt te betwijfelen of Duitsland zonder die grote schoonmaak toegelaten zou zijn tot de gemeenschap van beschaafde landen, laat staan dat het zich had kunnen ontwikkelen tot Europa’s leidende macht.

Met het openen van een filosofische discussie over schuld en verantwoordelijkheid die al net zo ernstig en genuanceerd is als de Duitse, streef ik niet naar definitieve antwoorden, maar hoop ik wel de aanzet te geven tot een breder publiek debat. ‘Zet het verleden van je af en ga verder’ is geen goede raad en als politiek advies waardeloos. Want onverwerkte verledens gaan etteren en worden stinkende wonden.

Niet veel Amerikanen of Europeanen zijn zich ervan bewust hoe weinig nationale geloofwaardigheid ze nog hebben in andere delen van de wereld. Mensen buiten het Westen wantrouwen een beroep op westerse waarden omdat ze weten hoe vaak die westerse waarden zijn misbruikt – ook al zijn velen in het Westen daar niet van op de hoogte. Totdat we die kwaden erkennen, zal ons morele gezag verder afnemen, en daarmee zullen we critici in staat stellen om te betogen dat pogingen om universele waarden te handhaven niet meer dan een voorwendsel zijn voor plundering en geweld.

Bij elke poging om tegen hun argumenten in te gaan dienen we ook te onderkennen dat die een kern van waarheid bevatten. En zulke argumenten dienen weerlegd te worden: organisaties als IS zijn een reële dreiging. Jongeren die hun comfortabele woning in Denver, Birmingham, Molenbeek, Amsterdam of München verlaten om te gaan vechten in de Syrische woestijn, worden gedreven door anti-westerse boodschappen die niet helemaal vals zijn. De oorlog in Irak was niet meer dan een poging om een criminele aanval te verdedigen met een misleidend beroep op democratische waarden.

Ingaan tegen dergelijke pogingen, en waar mogelijk schadeloosstelling bieden, vormt geen garantie dat anti-westerse organisaties westerse waarden serieus gaan nemen, maar het zou al een hele vooruitgang zijn als de westerlingen daar zelf mee zouden beginnen.

De aanhoudende zwakte van de Europese Unie berust op haar onvermogen om te besluiten of ze voor méér staat dan alleen handelsbevordering. Juist de progressieve Europeanen die enthousiaste steun zouden moeten bieden aan de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit die voortkomen uit de Verlichting, worden vaak geremd door hun kennis van het Europese koloniale verleden.

Een open afrekening met dat verleden zou het mogelijk kunnen maken om ons een beeld te vormen van een stevige toekomst; onderzoek van het verleden is een cruciale stap in de groei naar volwassenheid. Een volwassen relatie met je eigen cultuur lijkt op een volwassen relatie met je eigen ouders. We profiteren allemaal van een erfgoed dat we niet hebben gekozen en niet kunnen veranderen.

Opgroeien houdt onder meer in dat je besluit welk deel van dat erfgoed je als eigen wilt aanvaarden en hoe zwaar je dient te boeten voor de rest ervan. Uiteindelijk is het mijn doel om aan te tonen dat de erfenis van het kolonialisme het Europese project niet ondermijnt, net zomin als het Amerikaanse project wordt ondermijnd door de erfenis van de slavernij en ongerechtvaardigde oorlogen. Maar totdat die erfenissen eerlijk onder ogen zijn gezien, zal de legitimiteit van die projecten in twijfel worden getrokken – en zullen scepsis en argwaan blijven smeulen.