Keulen: ook in de opinies schieten er voetzoekers langs

Klaslokaal voor ouderen, ergens in de toekomst. „Vorige week bespraken we of NRC een politiek correcte krant is. De ombudsman van die krant ontkende dat toen. Deze week gaan we het hebben over de tegenovergestelde vraag, of NRC een racistische krant is. Pakt u de schriften uit de vensterbank, dan start ik de PowerPoint.”

Nog eens Keulen, dus, dat ook de Nederlandse media nu al twee weken beheerst – bijna alsof het drama zich hier heeft afgespeeld.

Het is een debat waarin de voetzoekers laag over het stadsplein scheren. En waarin zich onoverbrugbare kloven openen tussen ideologische werelden, zoals in het Amerika van de culture wars. Duidelijk is dat het in Keulen vooral ging om Noord-Afrikaanse mannen, niet Syrische vluchtelingen – maar ook dat raakt een open zenuw in Nederland, met de langjarige ophef over ‘k**-Marokkanen’.

Geen wonder dat de meest opgewonden stemmen het luidst klinken. Zoals Hunter Thompson ooit opmerkte: When the going gets weird, the weird turn pro. (Vrij vertaald: „Als de tijden op drift raken, zijn de driftkoppen op tijd.”) Zelfs de minzame Frits Abrahams noteerde deze week een koortsachtige fantasie, over een bombardementsvlucht van Geert Wilders boven „die NRC-klootzakken”.

Het maken van een opiniepagina in zo’n tijd lijkt me zoiets als met een vlindernetje achter monsters aanjagen. Maar dat maakt de vraag niet minder relevant wat de functie van opinies in een krant nog is: een spiegel zijn voor het verwrongen gezicht van de dag, of bijdragen aan inzicht en onderbouwing?

Ter linkerzijde klinkt het verwijt dat het de media vooral gaat om kijk- en klikcijfers: eerst ophef creëren met een woest stuk, dan wat boze reacties om de zaak af te blussen, en klaar is kees. Het praatprogramma DWDD kreeg er deze week mee te maken, toen een complete leek over dit brisante dossier vrij mocht associëren, met de verkeerde cijfers, tegenover een feitenvrije presentator.

Ook NRC kreeg die kritiek.

De krant vergastte de lezer de afgelopen week op, achtereenvolgens, een alarmkreet van oorlogsverslaggever Arnold Karskens (In mei breekt hier de revolutie uit, 8 januari) en een, door de redactie gevraagd, geëxalteerd stuk van schrijver Hafid Bouazza (Wat een sukkels zijn die mannen! , 9 januari). Waarin hij ten slotte, op basis van Arabische poëzie, losbrandt tegen het „pathologische” machogedrag van Arabieren, die hij in de laatste alinea’s in crescendo „uitschot”, „zandnegers” en „opgezwollen scrotumkoppen” noemt. Al begint hij nog met het zachtmoediger „sukkels”.

Veel lezers waardeerden dat artikel – het schoot omhoog in de leestlijsten . Maar het verwijt van ‘zijn-nu-alle-remmen-los’ en zelfs racisme was ook niet van de lucht. Of, meewariger: „Nu nog ‘geitenneuker’ op de opiniepagina en 2003 is weer helemaal terug”, zoals een twitteraar verzuchtte (die term vond ik overigens niet terug op die pagina’s).

Het was wél lang geleden dat ik daar zo’n hoge uitstoot van verwensingen tegenkwam als die van Bouazza. Het slot van zijn opstel deed denken aan de hoogstandjes van zijn voorbeeld Gerrit Komrij – maar die bedreef satire in een compleet andere tijd en maatschappelijke context, toen columnistenspel en journalistieke ernst nog twee dingen waren.

Resultaat? Een paar dagen later werd de auteur in de brievenrubriek op zijn beurt uitgemaakt voor racist en „nestbevuiler”. Hassnae Bouazza, zijn zus, hekelde de „verbale orgie van triomfantelijke zie-je-wels” na Keulen.

Chef Opinie Hans Nijenhuis beaamt dat de krant spraakmakend wil zijn – en natuurlijk wil een opinieredactie dat; het imago van de NRC-opiniepagina’s was altijd eerder stoffig. Maar Nijenhuis spreekt het verwijt van effectbejag tegen: „Keulen is nu dé kwestie, maar we stellen uiteraard eisen. Dit stuk hebben we geplaatst omdat het ontzettend goed geschreven was, de auteur een boek heeft gemaakt over vrouwen en de islam, en afkomstig is uit die wereld.”

En de uitsmijter? Nijenhuis: „Je weet wie het zegt. Hij is schrijver, geen politicus.” De krant moet „scherpe opinies” afdrukken, en die kunnen „pijn doen”.

Mijn kijk op de zaak: zeker, de redactie moet vooral stukken afdrukken die ze de moeite waard vindt en die deze kwestie van alle kanten belichten - taboevrij. Daar kan best een pathetisch (in de zin van: rijk aan pathos) stuk van een schrijver tussen zitten.

Al ging dat slot van Bouazza’s stuk mij te ver. Het was scheldlyriek die (mag ik het ook proberen?) als een schorpioen omhoogschoot uit het stuifzand van een literaire bespiegeling. Het is ook wel een sprong, van negende-eeuwse Arabische poëzie naar het Keulse stationsplein. Ik vraag me overigens af of de krant de slotfrase zo had afgedrukt van een niet-Marokkaanse auteur.

Terzijde, maar ook niet helemaal een detail: het woord werd hier ook beeld. Op de voorpagina van het katern prijkte een oriëntalistisch schilderij van de Zwitser Otto Pilny (1910): bedoeïenen verlustigen zich aan twee slavinnen (Perzische, geen Keulse – maar goed). Inderdaad, dat roept een vraag op, die Opinie erbij afdrukte: ‘Is dit van alle tijden? En van alle culturen?’. Maar met zo’n schilderij , zonder toelichting, is de vraag stellen hem beantwoorden. Een korte uitleg over zulk oriëntalisme had in het katern dus niet misstaan.

Maar het belangrijkste lijkt me dit. Uiteindelijk gaat het in dit explosieve dossier om argumenten en om een palet aan onderbouwde meningen, pijnlijk of niet, die het debat verder helpen. Zo bracht Opinie twee botsende, maar ook zeer feitelijke en interessante stukken van Leo Lucassen en Hans Werdmölder over de effecten van de migratiecrisis, nog los van Keulen.

Ook interessant: het in zijn onmacht treffende opiniestuk van Selma Leydesdorff, die zich als „ouwe Dolle Mina” geremd voelt haar woede te uiten omdat ze niet wil meedoen aan „een hetze tegen buitenlanders” (Ik ben niet voor niets een ouwe Dolle Mina, 13 januari).

Dat laatste stuk maakte duidelijk hoezeer links de strijd om definitiemacht in Nederland, door eigen toedoen, heeft verloren. Over haar dilemma – hoe zijn vrouwenrechten te verdedigen, en hoe is wangedrag van minderheden te bekritiseren, zonder xenofobie – zou ik wel meer willen lezen, ook op de nieuwspagina’s.

Nóg iets over het palet aan meningen. Deze opinieoorlog wordt vooral online uitgevochten, en daar viel de wankele balans uit de krant in duigen. Ik las Bouazza’s stuk op een tablet, en daar knalde het me tegemoet onder deze kop: Het machismo van de Arabier is pathologisch. Een bewering die rechtstreeks leek ontleend aan een overkookte 19de-eeuwse handleiding volkerenkunde. Ernaast: drie ondersteunende stukken.

Kortom, een eenzijdig tableau, dat haaks staat op de variatie die de krant zegt na te streven. Die kop is nu voorzien van aanhalingstekens (al schrijft Bouazza dit nergens letterlijk in zijn stuk), een tweede, meer relativerend stuk over hetzelfde onderwerp uit dezelfde opiniebijlage is er duidelijker naast gezet.

Krant en site zouden daar scherper op moeten letten, vind ik, zeker nu NRC met de vernieuwde site – gelukkig – een veel groter publiek bereikt. Het lijkt me niet wenselijk dat er, bedoeld of onbedoeld (een deel van de pagina’s online loopt automatisch ‘vol’), twee NRC-werkelijkheden ontstaan, als het merk tenminste één journalistieke norm wil uitdragen. Zeker voor een medium dat de slagzin bezigt: ‘Waar is jouw mening op gebaseerd?’

U bedoelt de mijne? Nou, toch het liefst op feiten en argumenten – vuurwerk is er nu wel genoeg, op dit verhitte marktplein.