Karel Appel was geen knoeier

De beroemdste uitspraak van Karel Appel was: ‘Ik rotzooi maar wat aan’. Dat was niet waar, laat het Haagse Gemeentemuseum zien.

Vlammend Kind met Hoepel, 1961

‘Operatie Eerherstel’, zo laat de grote Karel Appel-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag zich nog het beste omschrijven. Dat klinkt misschien vreemd, want Karel Appel is nog steeds een van Nederlands beroemdste kunstenaars, tijdens zijn leven overladen met roddel, roem, geld en eer en nog steeds een mythe van de Nederlandse schilderkunst. Alleen: die eer is de verkeerde eer. Appel bleef, ook na zijn dood in 2006, beroemd als de typische romantische schilder met borstelsnor, die de verf door zijn atelier smeet en af en toe een doek raakte en die met een zwaar Amsterdams Dapperstraat-accent snedigheden debiteerde als ‘ik rotzooi maar wat an’, ‘ik schilder niet, ik sla’ en ‘voor mij is een tube verf een raket’. Kapperszoon, vrije jongen, Rolls Royce-rijder. Alleen: vraag de gemiddelde Nederlander één titel van een Karel Appel-schilderij te noemen en de kans is groot dat het stil blijft.

Na Appels dood werd het al snel stiller rond zijn werk – al kwam dat ongetwijfeld mede doordat zijn schilderijen van de laatste tien, vijftien jaar nogal uit de tijdgeest waren gegleden en Appel alleen nog kon vertrouwen op het enthousiasme van een kleine groep trouwe volgelingen. Grote, prestigieuze museale overzichten, die de statuur van zo’n kunstenaar gaande houden, zijn nu ook alweer vele jaren geleden – dit ongetwijfeld tot verdriet van de nabestaanden en de kunsthandel. Maar nu is de tijd blijkbaar rijp voor eerherstel. Die begon in 2014 met een galerie-expositie bij het hippe Blum en Poe in New York, onlangs gevolgd door een tekeningententoonstelling in het Parijse Centre Pompidou – de komende anderhalf jaar volgen daarop nog oeuvreoverzichten in de Phillips Collection in Washington DC en het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris. Maar eerst het Gemeentemuseum: 67 schilderijen, 60 tekeningen en 12 beelden uit (bijna) alle fasen van zijn carrière. Nu komt het er dus op aan: houdt Appels oeuvre stand als de maker niet langer gezellig op de achtergrond staat mee te monkelen? Staat het werk op zichzelf?

Hij deed heus wel voorstudies

Het Gemeentemuseum heeft het grondig aangepakt. Dat begint met de strijd tegen Appels beroemdste voortbrengsel: zijn adagium ‘ik rotzooi maar wat an’. Dat domineerde tot voor kort de blik op het werk: Appel werd gezien als een typische expressionist, die nooit nadacht over kleur en compositie, die de verf lekker spontaan op het doek smeet en daarmee alleen maar wegkwam omdat hij zo buitengewoon getalenteerd was. Dat idee wordt nu bestreden doordat het museum maar liefst zestig Appel-tekeningen toont – en jawel: dat zijn vaak voorstudies. Van schilderijen die even verderop hangen. Een doorbraak in het Appel-denken: net zoals elke goede kunstenaar blijkt Appel wel degelijk te hebben nagedacht, gepland en gecomponeerd. Kijk, zegt het museum, eigenlijk is Karel Appel gewoon een klassieke kunstenaar in de traditie van de grote meesters, maar dan in een wat ruigere verpakking. Neem een schilderij als The Desert Dancers (1954): ruw ziet dat er uit, spontaan, primitief. Maar nu zien we ineens ook een overtuigende voorstudie van vijf jaar eerder – niks ruwe spontaniteit, niks primitieve oprispingen. En het mooie is: de kwaliteit van de tekeningen is zo hoog dat je dat beeld van de klassieke meester zonder problemen omarmt. Je snapt het meteen.

Er wordt echter nog een tweede stap gezet bij de inrichting van de expositie. Op soortgelijke overzichten wordt het werk, zeker als de kunstenaar al even uit beeld is, chronologisch gepresenteerd: dat maakt het verhaal van het kunstenaar helder en de hernieuwde kennismaking prettig gestructureerd. Het Gemeentemuseum kiest er echter voor Appels werk thematisch te groeperen volgens tamelijk klassieke (!) thema’s als naakt, landschap/stadsgezicht, portret etcetera – des te opmerkelijker, omdat Appel zelf (geheel conform zijn spontane imago) zelden in zulke categorieën dacht. Het museum heeft er echter een goede reden voor: door het oeuvre zo te ordenen kan tamelijk onopvallend de nieuwe Appel worden geïntroduceerd, kan de nadruk op zijn beste periodes worden gelegd en kunnen zijn zwakke momenten simpel worden weggemoffeld. Dat betekent dat er vooral veel werk hangt uit zijn gloriedagen, de jaren ’47 tot en met ’62 – en dat is een feest. Juist doordat we met z’n allen stiekem een beetje op Appel waren uitgekeken, waren we ook vergeten dat Appel in die jaren een ongekende hoeveelheid energie, speelsheid en kracht in zijn doeken wist te proppen. Het effect is geweldig: schilderijen als Schrik in het gras (1947), Dierenwereld (1948), Nachtvogels (1949), De optocht (1950) en Samen vliegend (1950) en ga zo maar door, tonen zoveel vrijheid, zoveel ongekende primitieve energie dat je het leven door je lijf voelt tintelen en je er alleen maar met een grote glimlach voor kunt staan – en vergeef je Appel in een moeite door voor tamelijk zwakke spierballendoeken als Encounter with God (1981) en Black and White Nude No. 2 (1990). En zo sta je ineens voor een ‘nieuwe Appel’: een heel goede ‘wilde schilder’ die balanceerde op de grens van expressionisme, art brut en primitieve kunst. Geen toffe volksjongen meer, maar een schilderende oerkracht.

Zijn moeizame periode krijg je niet te zien

Operatie geslaagd zou je kunnen zeggen, alleen: bij de uitvoering ervan vallen net te veel slachtoffers. Allereerst ontbreken té veel echte Appel-klassiekers: Drift op zolder (1947), Mens en dieren (uit de collectie van het Stedelijk), de Vragende kinderen, de grote Hiep hiep hoera en Mensen, vogels en zon uit de collectie van de Tate Gallery, Kind met vogels uit het MoMa... Alsof de samenstellers het gevoel hadden dat deze werken de Operatie in de weg zouden staan, dat ze te veel verkleefd waren met de Appel zoals we die kennen.

Teleurstellend is echter dat de samenstellers er voor kozen de ‘moeizame’ periodes uit zijn carrière de coulissen in te dirigeren. Dat de late Appel flink is ondervertegenwoordigd is nog wel begrijpelijk, spijtiger is het al dat de curieuze collagewerken die hij in verschillende periodes van zijn carrière maakte en waarbij hij plastic poppen en speelgoedbeesten op zijn doeken ging plakken, is weggemoffeld – Appel moet hier een schilder zijn, geen plakker. Een echte misser is het dat de bijna-abstracte, landschappelijke ‘Van Gogh-doeken’ uit het einde van de jaren zeventig heel zwak zijn vertegenwoordigd – wat gelukkig deels wordt goedgemaakt door een mooie, kleine expositie van werken uit deze jaren bij galerie Slewe in Amsterdam. Hierin is te zien dat Appel ook de zoektocht binnen de abstractie makkelijk aankan, en dat de grove kwaststreken die hij hier gebruikt hem leiden naar een nieuw soort oerkunst waar de herkenbare afbeelding er niet meer toe doet – dat kon hij dus ook. Het retrospectief in het Gemeentemuseum zorgt zo voor serieus eerherstel voor Karel Appel, maar de tentoonstelling maakt ook duidelijk dat er nog meer te halen valt, dat er zonder veel problemen een nóg mooier, beter en completer Appel-overzicht valt samen te stellen. Dat is iets om naar uit te zien.