Interpreteren wanneer iemand echt dood wil

Wanneer mag je een medemens dood maken? Nogal wiedes, nooit. Ho, stop. Tenzij die medemens dat uitdrukkelijk vroeg, diens lijden uitzichtloos en ondraaglijk is en de dader een arts is. Dan is het niet strafbaar. Zo werkt het in Nederland, en elders. En daar kan ik mee instemmen. Dat die nooduitgang uit het leven bestaat stelt me gerust. Natuurlijk sterf ik liever in eigen tempo aan de morfinepomp dan dat ik iemand anders met mijn einde moet belasten. In extremis, als het echt niet vanzelf gaat, hoop ik wel dat er een dokter is die mij het hoekje om helpt. Terzijde: het gaat mij prima. Maar het jaar begon wel met nieuws van het hellende vlak: hoe ‘uitdrukkelijk’ moet zo’n doodsverzoek zijn. Specifiek: wat doe je met de euthanasiewens van dementerende personen, die niet meer kunnen communiceren. Terwijl ook zij over een degelijk voorbereide euthanasieverklaring kunnen beschikken. Maar ‘dokter, ik wil nu echt dood’ kunnen ze niet meer zeggen. Intussen ziet de familie met lede ogen dat de patiënt juist in die toestand is beland die hij of zij tevoren als ondraaglijk zag. Telt die euthanasiewens nog? Tot hoever reikt de zelfbeschikking – en over welke ‘zelf’ beschik(te) je eigenlijk. Ook over je demente zelf? Of is dat een andere persoon, wiens wil onverstaanbaar is?

Vorige maand publiceerde het ministerie van Volksgezondheid een ‘handreiking’ die artsen moet helpen dergelijke patiënten te ‘lezen’. Daarin staat dit: „Patiënten met gevorderde dementie wekken soms de indruk niet ondraaglijk te lijden aan de dementie”. Terwijl ze dat destijds wel van zichzelf hadden verwacht en dat met euthanasie kennelijk wilden voorkomen. „Wel kan het duidelijk zijn dat een patiënt met gevorderde dementie ondraaglijk lijdt aan bijkomende lichamelijke aandoeningen, zoals ernstige benauwdheid of pijn, maar ook angst, agressie of onrust kunnen bijdragen aan ondraaglijk lijden.” Een arts mag dan euthanasie toepassen, aldus de handreiking.

Hierover is een stevige discussie ontstaan. Trouw-columnist Bert Keizer, tevens verpleeghuisarts, zegt dat dit ethisch onverantwoord is. Keizer concludeert dat een arts een demente man of vrouw die daar niet onder lijdt, maar wel benauwd is of veel pijn heeft, dus mag doden, indien er een wilsverklaring is. Keizer: „Een arts die zoiets doet, schuift alle kennis over palliatieve geneeskunde terzijde. Het lijkt mij een tuchtwaardig vergrijp”. Ik vraag me eerlijk gezegd af of het niet ook strafbaar is. Angst, agressie, onrust, benauwdheid of pijn bij demente patiënten interpreteren als een „uitdrukkelijke” wens om uit het leven te worden geholpen? De minister keurt het goed, de euthanasielobby verwelkomt het als een ‘minder streng’ beleid, de KNMG houdt het voorzichtig bij een ‘precisering’ van staand beleid en niet een echte verandering.

Maar ik denk dat dit rijtje symptomen niet houdbaar is als een uitdrukkelijke bevestiging van een eerdere wilsverklaring. Dementie is een staat van verwarring, vergeetachtigheid en desoriëntatie, als gevolg van verminderde hersenwerking. Om dan bijkomende symptomen te duiden als een spontane, fysieke vertaling van de euthanasiewens lijkt mij een doelredenering. Je kan met evenveel recht beweren dat het juist de angst en onrust voor de dood zijn, die zich tonen. En niet de angst verder te leven. Niemand weet het echt.

Ik begrijp het dilemma van ouderen die dementie niet willen meemaken. Dat kan zo bezwarend zijn dat het mensen ertoe brengt euthanasie te vragen voordat ze echt dement zijn. Die gaan dan ‘te vroeg’. Tegelijk kun je dit ook zien als de consequentie van de wens dan ook helemaal over jezelf te beschikken. Willen we demente mensen echt dood maken omdat ze er om vroegen toen ze nog wel goed konden denken en praten? Keizer: „Moet je dan zo’n demente, agressieve angstige man onder dwang verdoven en vervolgens een dodelijke injectie geven?” Daar schrikt uiteraard iedereen voor terug. Maar het zou wel consequent zijn. Niet doen dus.