Hoeveel migranten landen er dit jaar in de polder?

Vogels tellen is een voorwaarde voor goed natuurbeleid. Daarom doen jaarlijks anderhalf duizend vrijwilligers mee aan de telling van trekvogels. Dit weekend is het weer zover. De laatste jaren is een trend zichtbaar: er bivakkeren steeds meer watervogels in Nederland.

Wulp

Het is de tijd van het jaar. Veel broedvogels zijn weg, maar nu arriveren de migranten uit noordelijke streken. Kolganzen in de uiterwaarden, zaagbekken in de plassen. En zoals iedere winter worden ze geteld. Dit weekend is het zover: dan tellen tienduizenden vrijwilligers in 143 landen in hetzelfde weekend zoveel mogelijk watervogels. Het is een jubileum: de vijftigste International Waterbird Census.

Menno Hornman (44) is van de partij – al voor de dertigste keer. Als jongen begon hij vogels te tellen met zijn vader, nu werkt hij voor Sovon Vogelonderzoek Nederland, waar hij de landelijke watervogeltellingen coördineert. Zoals in de Ooijpolder bij Nijmegen.

„Kijk, nonnetjes”, zegt hij vanaf de dijk. We kijken door zijn telescoop naar de sierlijke eendjes. Op de achtergrond stappen twee grote zilverreigers rond. Een grote zaagbek komt aanvliegen, met de lage winterzon op zijn roomkleurige buik. „Het verbaast me dat hier nu zo weinig zit”, zegt Hornman. „Kom, we gaan de ganzen opzoeken.”

Vogels tellen, zo vertelt Hornman op de fiets, is niet zomaar een hobby. Het is een voorwaarde voor goed natuurbeleid. Pas als je veranderingen goed vastlegt, kun je daarop inspringen. Daarom tellen vrijwilligers in Nederland al sinds 1947 de watervogels van onze belangrijkste natte gebieden, uiterwaarden en weilanden. Er zijn tegenwoordig bijna 1.600 vrijwillige tellers actief. In uitgestrekte gebieden, zoals op het IJsselmeer en in de Zeeuwse Delta, tellen professionals mee vanuit boten en vliegtuigjes. In januari 2015 telden alle vogelaars samen 5,5 miljoen watervogels in ruim 4.000 gebieden. Daarmee besloegen ze meer dan de helft van de oppervlakte van Nederland.

De jarenlange datareeksen laten een aantal interessante trends zien. Tegenwoordig verblijven er in de winter bijvoorbeeld twee keer zoveel watervogels in Nederland als in 1975. „Dat komt vooral doordat de aantallen ganzen en zwanen enorm zijn toegenomen”, zegt Hornman. „In onze intensief bemeste weiden vinden ze de hele winter door volop te eten – en tegelijkertijd is de bescherming verbeterd.” Maar er zijn ook soorten waarmee het juist slechter gaat, bijvoorbeeld tafeleend, grote zaagbek, eidereend en zwarte zee-eend. En gek genoeg onze vertrouwde wilde eend. „Die duikelt naar beneden sinds eind jaren 90. Het is onduidelijk waardoor dat komt .”

Ieder een afgebakend gebiedje

Er is één internationaal telweekend per jaar, maar de Nederlandse tellers gaan een half jaar door, van september tot april. Ze gaan elke maand in een vast weekend op pad in hun eigen, strikt afgebakende gebiedje. Zelf neemt Hornman maandelijks de hele westelijke Ooijpolder voor zijn rekening. Daar is hij een dag mee zoet. In weer en wind. De tellers zijn niet zomaar hobbyisten, vertelt Hornman, maar toegewijde kenners die vaak al tientallen jaren meedoen. „Voor beginnende tellers zijn er cursussen. Iedereen volgt dezelfde strakke richtlijnen.”

Vogels tellen is niet altijd gemakkelijk. Je moet feilloos op afstand soorten kunnen herkennen en handigheid krijgen in het tellen van groepen van duizenden vogels. Hornman telt ze in plukjes van tien, met een klikteller in zijn hand. Je moet ook voorkomen dat je groepen vogels in jouw gebied mist, of juist dubbel telt – bijvoorbeeld doordat ze opvliegen en elders neerstrijken. „Daar zijn wel trucjes voor”, vertelt Hornman. „Het is echt een uitdaging. Een beetje een sport.”

Alle tellers geven hun data door aan Sovon, grotendeels online. Een regiocoördinator controleert of er geen rare uitschieters tussen zitten, of onwaarschijnlijke waarnemingen. „Daar zit een goede controle op”, zegt Hornman, „deels geautomatiseerd. Daarnaast werken we samen met dataspecialisten van het CBS, om gaten in de data op te vullen. Zo houden we toch een goede dekking als gebieden een keertje niet worden geteld.” Die schattingen gebeuren per soort op basis van eerdere tellingen of vergelijkbare gebieden.

Natuurlijk, het hele telsysteem staat of valt met de kwaliteit van de waarnemers. Maar waar er één iets te veel telt, telt een ander iets te weinig – dus op landelijk niveau middelt dat elkaar uit, aldus Hornman. „Dit systeem staat als een huis.”

Maar waarom watervogels? Waarom niet ook andere dieren? Die worden in Nederland wel degelijk óók geteld, via het Netwerk Ecologische Monitoring, vertelt Hornman. In opdracht van de overheid tellen organisaties, veelal met vrijwilligers, op een gestructureerde manier ook de broedvogels, tuinvogels (zie kader), vissen, reptielen en amfibieën, zoogdieren, vlinders en planten van Nederland. Maar daarvan bestaat niet zo’n grootschalig internationaal meetnetwerk.

Er zijn verschillende redenen waarom dat bij watervogels wel zo is, vertelt Taej Mundkur, die de internationale watervogeltelling coördineert. Hij werkt voor Wetlands International in Ede. „De meeste watervogels zijn trekvogels”, legt hij uit. „Daarbij hebben landen een internationale verantwoordelijkheid om ze te beschermen. Nederland is bijvoorbeeld als doortrekland heel belangrijk voor allerlei vogelsoorten die in Siberië broeden en in Afrika overwinteren. Daarvoor is het cruciaal dat je over de hele wereld de aantallen bijhoudt.”

De internationale coördinatie van de watervogeltelling begon in 1967. Nederland was één van de pioniers – en behoort nog steeds tot de toplanden, merkt Mundkur op. Ook in landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Zweden en Zwitserland is het niveau hoog. Elders ter wereld zijn er relatief minder tellers – hoewel verrassend veel landen meedoen. Zuid-Afrika en Kenia hebben goede telprogramma’s, maar ook Madagaskar, Zambia en zelfs Zimbabwe. Landen als Somalië, Libanon, Noord-Korea en Saoedi-Arabië doen niet mee, en in China zijn er nog veel witte vlekken op de kaart. Wetlands International en andere organisaties trainen en ondersteunen tellers. In West-Afrika bijvoorbeeld, waar ‘onze’ waddenvogels overwinteren, doet het Wadden Sea Flyway Initiative dat.

Spectaculaire aantallen

Trekvogels zijn dus van internationaal belang. Maar er zijn meer trekvogels dan alleen watervogels. Toch worden alleen die laatste – de eenden, ganzen, zwanen, steltlopers – grootschalig geteld.

De watervogels, zo verklaart Hornman, staan van oudsher in de belangstelling omdat ze zich ’s winters in spectaculaire aantallen verzamelen in de natte gebieden. „En omdat je ze kunt eten”, voegt hij eraan toe. Nu vormen de trendgegevens de basis voor veel natuurbeschermingsinitiatieven. Op lokaal en nationaal niveau, maar ook internationaal. De beschermde Natura2000-gebieden van de EU zijn grotendeels aangewezen op grond van de aantallen watervogels. Ook dragen de teldata bij aan de internationale Rode Lijst van bedreigde diersoorten.

Mundkur noemt nog meer redenen waarom juist watervogels worden geteld. „Ze geven een indicatie van de aantallen planten en dieren die leven in natte gebieden. Op veel plekken in de wereld zijn juist die gebieden een belangrijke voedselbron voor mensen.” En, ook niet onbelangrijk, merkt Mundkur op: mensen lopen ervoor warm. „Ze worden aangetrokken door de pracht van die kleurrijke groepen watervogels.”

Het is inderdaad een betoverend gezicht, die Ooijpolder vol grazende kolganzen. Ze trekken zich weinig van ons aan, ook al staan we vlakbij. „Dat is omdat hier weinig op ze wordt gejaagd”, vertelt Hornman. „Dat hebben ze haarfijn in de gaten. In Oost-Europa zijn diezelfde ganzen veel schichtiger.”

Het zijn er in dit ene weilandje zo’n zeshonderd, ziet Hornman in één oogopslag. Hij zoekt snel of er een zeldzame roodhalsgans tussen zit. Nee, helaas. Wel pikt hij een halsband eruit met een lettercode. ‘FJT’, leest hij door zijn verrekijker. „Een oude bekende. Die is tien jaar geleden hier in de buurt geringd. Dus deze dame is al minstens tien keer heen en weer naar Siberië gevlogen. Mooi idee hè?”