Column

Het nieuwe Evil Inc.: de grote pillenmakers

Ik weet dat economen niet moeten voorspellen (kunnen ze niet, en net als bij het weer worden de mensen nogal kwaad van onjuiste vooruitzichten), maar toch waag ik me aan een kleine. 2016 zou wel eens het jaar kunnen worden waarin we ons gaan verzetten tegen een nieuw kapitalistisch monster: de farmaceutische industrie, ook wel Big Pharma genoemd.

In de Verenigde Staten hebben presidentskandidaten van de Democraten Hillary Clinton en Bernie Sanders er al punten mee gescoord. In Nederland horen we minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) er de laatste tijd over. Ze heeft zelfs beloofd het te agenderen tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie. De kwestie is deze: verdienen pillenmakers onbehoorlijk veel aan medicijnen?

De pillenmarkt is wat economen noemen een gekke. Om farmaceutische bedrijven aan te zetten tot duur onderzoek naar medicijnen deelt de overheid waardevolle cadeautjes uit aan de uitvinders van geneesmiddelen die worden voorgeschreven door medisch specialisten in ziekenhuizen. Bijvoorbeeld voor de behandeling van kanker en reuma. Zo ondervindt een geneesmiddel vele jaren geen concurrentie; alleen de farmaceut die het uitvindt, mag het maken.

Bovendien investeren westerse overheden zelf in onderzoek via subsidies waarvan ook farmaceuten profiteren. En in een land als Nederland wordt de prijs voor dit soort specialistische medicijnen betaald uit de grote pot met zorggeld, niet door de patiënt zelf. Dit alles samen zorgt ervoor dat de markt voor specialistische pillen niet functioneert zoals die voor brood: fabrikanten hebben veel macht en een natuurlijke tegenmacht is er niet. Zo’n markt kan gebukt gaan onder hoge prijzen. Vandaar dat overheden als de Nederlandse voor veel medicijnen maximumprijzen afkondigen.

De vraag is nu of de prijzen niet alsnog te hoog zijn. En of farmaceuten te veel van het publieke geld dat we aan de zorg uitgeven weten binnen te halen voor hun aandeelhouders. Aanwijzingen genoeg. Zo valt op dat dezelfde medicijnen in verschillende West-Europese landen enorm in prijs kunnen verschillen. In Nederland zijn kankermedicijnen bijvoorbeeld relatief duur, bleek uit twee studies begin december. Ook valt op dat de farmaceuten medicijnen soms het eerst op de markt brengen waar ze het duurst mogen zijn. Die prijs heeft namelijk effect op de prijzen in andere landen.

De Nederlandse Zorgautoriteit publiceerde er afgelopen zomer onderzoek over. De strekking is helder: er zijn voor fabrikanten weinig prikkels om de prijs laag te houden. In deze krant zei de onderzoeksleider dat bij het vaststellen van de prijs soms het principe lijkt te gelden: wat de gek ervoor geeft. Fabrikanten berekenen hun prijzen op basis van wat ze denken dat ‘we’ als land bereid zijn te betalen, rekenend houdend met hoe we de zorg financieren.

Waarom wordt dit nu een kwestie? De prijzen zijn immers al langer hoog. Nou, medicijnen worden inmiddels zo duur dat „veel ziekenhuizen aangeven dat ze de geneesmiddelen straks niet meer kunnen betalen”, aldus de NZa.

Wat te doen? Allereerst vaker samen inkopen, adviseert de NZa. Ziekenhuizen, verzekeraars en Europese landen kunnen samen inkopen. Tegenmacht. Dat wil Schippers nu agenderen in Europa.

Maar ook is het goed om farmaceuten te dwingen te openbaren wat ze vragen voor hun medicijnen, per land en mét de kortingen die ze geven, bijvoorbeeld aan overheden. Grote, winstgevende bedrijven die overheidsbescherming genieten, moeten bij zoveel verdenking zelf bewijzen dat ze er geen misbruik van maken.