Een reis door een ‘buitengewoon onvrouwelijk’ vakgebied

Hebben vrouwen een andere vorm van creativiteit dan mannen? Dat vroeg onlangs een lezer naar aanleiding van het geringe aantal vrouwen dat voor een wis- of natuurkundestudie kiest. Meisjes hebben weinig historische voorbeelden van vrouwen die het in die vakken ver geschopt hebben. Maar anderzijds: is dat alles niet simpelweg te wijten aan de bedradingen van het brein?

Die vraag is niet makkelijk te beantwoorden, alleen al omdat een mens niet los van zijn omgeving functioneert. Zinniger lijkt het om eerst die omgeving onder de loep te nemen. Het boek A Singularly Unfeminine Profession van Mary K. Gaillard is daarbij een goede bron. Gaillard (geboren in 1939) beschrijft in dat boek, zoals de ondertitel luidt ‘One Woman’s Journey in Physics’ – haar eigen reis in dat vak.

Vanzelfsprekend was die reis niet. Gaillard had geluk toen ze door een administratieve fout een beurs kreeg die haar naar het Hollins College in Virginia bracht. Het was een school met een bevlogen natuurkundedocent, Dorothy Montgomery. Montgomery bezorgde Gaillard voor haar ‘year abroad’ een plek op de École Polytechnique in Parijs in een onderzoeksgroep die kosmische straling bestudeerde.

Dat het erger kon merkte ze toen ze naar Parijs trok met haar man, de Franse Jean-Marc Gaillard die ze had ontmoet toen hij postdoc was bij Columbia University. Het kostte Mary K. Gaillard moeite om in Parijs een promotieplek te vinden, en de situatie leek nog hopelozer toen ze moeder werd en Jean-Marc volgde naar Cern, het Europees instituut voor deeltjesonderzoek bij Genève. Haar ervaringen bezorgden haar een cultuurschok, schrijft ze, maar ze zette haar werk wél voort. Bij de Cern-theorieafdeling veroverde ze zich een plek – in de kelder en (karig) betaald vanuit Parijs, dat wel.

Het levert grappig-treurige anekdotes op. Gaillard vertelt hoe een van haar grote wetenschappelijke helden, en vrienden, de Nederlandse Nobelprijswinnaar Martin Veltman, haar eens uitvoerig uitlegde dat vrouwen voor de kinderen thuis hoorden te zorgen – Gaillard had er intussen drie. Anderzijds, dat was recht in het gezicht en ze kon weerwoord geven.

Lastiger waren de impliciete vooroordelen. Dat ze steevast voor de secretaresse werd aangezien. Dat Cern-directeur Leon van Hove haar negeerde als hij naar de vorderingen van een project vroeg, en het woord uitsluitend richtte tot de jonge (mannelijke) post-doc die onder haar begeleiding werkte.

Gaillard schudde zulke zaken meestal van zich af als een eend waterdruppels. Ze jongleerde met haar tijd, werkte samen met grote namen en groeide uit tot een expert met aanzien op het gebied van charmfysica (deeltjes die een charmquark bevatten) en de zwakke wisselwerking.

Pas in 1989 vergaf Cern een (zesjarige) junior stafpositie op de theorieafdeling aan een vrouw. En het duurde tot 1994 voordat een vrouw op Cern een leidinggevende functie kreeg: Fabiola Gianotti. Zelf was Gaillard toen allang met haar tweede man, Bruno Zumino, teruggekeerd naar de VS (in 1980), waar ze meer waardering kreeg. Gaillard kreeg er een – normaal betaalde – positie als hoogleraar theoretische fysica aan de University of California in Berkeley (de eerste vrouwelijke); ze trad toe tot adviescommissies en de National Science Board.

Gaillard werd zo de vrouw die, zoals een collega zei, ‘did it all’. Is haar verhaal daarmee interessant voor een breed publiek? Daarvoor schrijft Gaillard te anekdotisch en gaan haar uitstapjes in de deeltjesfysica te snel de diepte in. Maar wie zich afvraagt hoe het zit met vrouwen en wis- en natuurkunde, die zou dit boek moeten lezen.