Een man die wel wat mocht kosten

Voor de aanleg van de ringweg rond de stad Groningen werd een bestuurlijk zwaargewicht gevonden. Zijn onkosten werden creatief geboekt.

Ingenieur Jos Hillen begon zijn lange carrière in de weg- en waterbouw bij Rijkswaterstaat, waar hij in de hoofddirectie zat. Sinds 1995 is hij partner bij Twynstra Gudde, en werkt hij als inhuurkracht voor de overheid.

Het was begin 2010 toen ingenieur Jos Hillen, op dat moment interim-directeur van Groningen Airport in Eelde, in beeld kwam voor een ongekend lucratieve klus. Bestuurders van de noordelijke provincie waren onder de indruk van zijn daadkracht als partner van adviesbureau Twynstra Gudde. 

Waar andere inhuurkrachten vastliepen op de ingewikkelde bestuurscultuur en het wantrouwen tussen inwoners van de stad Groningen (‘Stadjers’) en de rest van de provincie, walste Hillen lekker door. Na jaren van vruchteloos praten met omwonenden was hij hard op weg om de verlengde startbaan erdoor te krijgen, een langgekoesterde wens van de luchtvaartlobby. 

Nu had Groningen een bouwproject binnengehaald dat het gesteggel over die 700 meter extra asfalt deed verbleken. Op de valreep van 2009 had de toenmalige minister van Infrastructuur en Milieu, Camiel Eurlings, toestemming gegeven voor wat inmiddels „het grootste infrastructurele project ooit in de geschiedenis van het Noorden” heet: de ingrijpende vernieuwing van de ringweg Groningen. 

Het was een cadeautje voor het Noorden, ingegeven door Haags schuldgevoel en hoop dat extra bouwactiviteit de economische crisis zou bezweren. Zonder urgente aanleiding was er opeens zo’n 700 miljoen euro beschikbaar. Dit geld kwam uit het wegenbudget van Rijkswaterstaat, maar vooral uit het compensatiefonds Zuiderzeegelden: een pot waarmee Groningen in 2007 was afgekocht toen de hogesnelheidstrein tussen het Noorden en de Randstad werd afgeblazen.

De zoektocht naar een sterke man die de plannen voor de ringweg langs omwonenden, scholen en bedrijven kon loodsen duurde niet lang. Als er iemand de lokale tegenstand kon overwinnen en overeind zou blijven in het ingewikkelde politieke krachtenspel dan was het Jos Hillen. Rijkswaterstaat, waar Hillen eerder werkte, zou de contracten met hem regelen.

En Hillen mocht wat kosten.

Uit interne stukken, verkregen met een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur, blijkt dat Rijkswaterstaat en het ministerie van Infrastructuur en Milieu – waar deze dienst onder valt – de projectleider zó graag wilden hebben, dat Twynstra Gudde in ruim 4 jaar tijd 1.390.763,76 euro kon declareren voor een vierdaagse werkweek. Uit de stukken blijkt ook dat Rijkswaterstaat al snel met de hoogte van de beloning worstelde. En dat die worsteling een jaar leidde tot het niet melden van de topvergoeding in openbare stukken – wat wel had gemoeten.

Interimmers

Niet alleen voor Hillen zelf, maar ook voor zijn werkgever was de klus aantrekkelijk. Twynstra Gudde leverde naast de projectleider nog vijf interimmers, die tussen 2011 en 2014 in totaal bijna 1,4 miljoen euro declareerden.

Allereerst besloot Rijkswaterstaat geen aanbesteding voor de functie te doen. Zo kon voorkomen worden dat een ander bureau met de opdracht aan de haal ging. De overheid was ook financieel bereid ver te gaan om Hillen binnen te halen, zo bleek tijdens de eerste gesprekken tussen Rijkswaterstaat en Twynstra Gudde.

De provincie Groningen drong aan op een tarief „onder de balkenendenorm” – sinds 2010 maatgevend voor personeel in overheidsdienst. Voor tijdelijke krachten ligt deze norm op een all-in uurtarief van 225 euro. Maar Hillen verliet de onderhandelingstafel met een honorering ver daarboven. Die bestond uit een kaal uurtarief van „230 à 240 euro” plus een bedrag voor „extra kosten” – 150 tot 180 euro per werkdag voor een appartement dat Hillen in Groningen zou aanhouden.

Betalen boven de balkenendenorm voor tijdelijke krachten is niet verboden. De overheid mag voor topkrachten de portemonnee trekken, maar is dan wel verplicht die inhuur te melden en uit te leggen – zodat het parlement die kan controleren. De eerste twee jaar gebeurde dat ook. Minister Melanie Schultz van Haegen (VVD) schreef in de jaarverslagen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu over 2011 en 2012 dat er voor de Ringweg „een neutrale en zeer bekwame zware projectdirecteur, ook op bestuurlijk niveau” was gevonden, wiens inbreng „van onmisbare waarde was en is”.

Onderhandelingstechnisch

De hoogte van Hillens inkomen vermeldde Schultz niet; wel dat het „onderhandelingstechnisch niet mogelijk was deze persoon onder het maximumtarief aan te trekken”. Er viel ook niet veel te pingelen, want het ministerie wilde per se Hillen hebben. In de woorden van Schultz: „Er is specifiek op de persoon aangetrokken.”

Hillen, die tot medio 2012 aanbleef als directeur van Vliegveld Eelde, zou meer dan vier jaar als directeur leiding geven aan de projectorganisatie Aanpak Ring Zuid – het samenwerkingsverband dat de renovatie van de ringweg moest voorbereiden. In 2013 factureerde Twynstra Gudde voor zijn diensten 380.390,39 euro, ruim 50.000 euro meer dan in 2012. En voor 2014 bedroeg het bonnetje 309.536,25 euro. Toch verdween deze exceptionele beloning na 2012 uit de jaarverslagen van het ministerie.

Bij Rijkswaterstaat heersten intern al snel bedenkingen over de financiële afspraken die voor de inhuur van Hillen waren gemaakt. Een ambtenaar schreef in april 2012 aan Twynstra Gudde „niet te kunnen instemmen” met de afgesproken jaarlijkse verhoging van de „royale dagelijkse verblijfsvergoeding” van Jos Hillen.

De volgende werkdag mailde Hillen zelf terug, namens zijn werkgever. „Uw oordeel als zou sprake zijn van een royale verblijfsvergoeding is niet juist”, schreef hij. En: „Twynstra Gudde houdt zich netjes aan de afspraken. En dat geldt vanzelfsprekend ook voor u als vertegenwoordiger van een professionele organisatie.” Hoewel de financiële baas van Rijkswaterstaat nog dringend adviseerde dat Hillen in 2012 zou worden „uitgefaseerd” liet Rijkswaterstaat de controverse toen rusten.

In 2013, toen Hillens contract voor de derde keer moest worden verlengd, herhaalde de discussie zich. Weer kwam de verblijfsvergoeding, waar Rijkswaterstaat in 2010 mee akkoord was gegaan, ter sprake. Waarom moest Hillen bovenop zijn toch al hoge uurtarief, waar al reis- en verblijfskosten in verwerkt waren, nog een extra bedrag voor verblijf krijgen? Rijkswaterstaat wist bovendien helemaal niet hoe hoog de verblijfskosten daadwerkelijk waren, want Hillen hoefde behalve zijn uren niets te specificeren; de vergoeding werd gewoon overgemaakt.

De consultant antwoordde opnieuw zelf, met dezelfde kordaatheid: „Deze [vergoeding] wordt ingegeven door de grote afstand tussen het projectbureau en mijn woonplaats, gecombineerd met het zware appèl op mijn aanwezigheid in de rand van de dag en de avonduren.” Royaal vond hij de vergoeding niet: die was „enkel en alleen gebaseerd op de huur van de flat, de afschrijving van inrichting en meubilair, kosten nutsbedrijven, telefoon, internet, schoonmaak. […] Ik hoop dat het zo voor jullie duidelijk genoeg verwoord is.”

De ‘man van 700 miljoen’, zoals hij genoemd werd, sprak tijdens zijn laatste interview in 2014 in het Dagblad van het Noorden zelf niet over de vergoeding, maar refereerde aan zijn flatje aan de Groningse Reitdiephaven, waar hij vier jaar lang „een vrijgezellenbestaan” had geleefd.

De onenigheid over de extra kosten zorgde voor vertraging, waardoor de consultant zelfs een tijdje zonder contract werkte. In een mail waarin Hillen aandrong op spoedige verlenging van zijn contract, liet hij ook weten het gedoe wel te begrijpen: „Ik en mijn directie hebben er begrip voor dat overschrijding van deze norm Rijkswaterstaat in een lastig pakket kan brengen, onder andere ten aanzien van rapportages naar de Tweede Kamer en dergelijke.”

De consultant kwam daarom zelf met een oplossing. Jos Hillen stelde voor dat Twynstra Gudde zijn verblijfskosten zou blijven factureren, maar „buiten mijn uurtarief [zou] houden”. Zijn uurtarief zou hij dan verlagen tot precies de balkenendenorm. Dan was het ministerie van de meldingsplicht af. Hillen stelde wel voor dat het uurtarief direct weer zou stijgen als de balkenendenorm omhoog zou gaan.

En zo geschiedde: hoewel Rijkswaterstaat in 2013 en 2014 meer dan ooit voor zijn diensten betaalde, vond het ministerie van Infrastructuur en Milieu rapportage aan de Tweede Kamer niet meer nodig.

Externen

Maar dat bleek toch iets te enthousiast. Want het verlagen van het uurtarief vond pas halverwege 2013 plaats, waardoor Hillen in de eerste maanden van dat jaar nog wel meldingplichtig was.

Na navraag door NRC erkent een woordvoerder van Rijkswaterstaat dat Hillens topsalaris over 2013 „abusievelijk niet is gemeld aan het ministerie van Infrastructuur en Milieu” en dus ook niet aan de Kamer is gemeld.

En over de vergoeding voor meubilair, telefoonkosten, schoonmaak en internet schrijft Rijkswaterstaat nu: „Terugkijkend is deze onkostenvergoeding aan de hoge kant geweest. Rijkswaterstaat heeft sindsdien bij dergelijke contracten niet meer zulke hoge vaste onkostenvergoedingen afgesproken.”