Een golfje van vaderlandsliefde?

Nederland bungelt vaak onderaan op ranglijsten over vechtbereidheid. Door internationale onrust verandert dit licht.

Het was een nijdige tweet die buitenlandspecialist Rob de Wijk een half jaar geleden de wereld in slingerde. „15 procent van de Nederlanders is bereid voor zijn land te vechten. Een na laagste ter wereld. Gewoon stoppen met ons land?” De Wijk reageerde op een internationaal onderzoek naar de 'vechtbereidheid’ van burgers voor hun eigen land. Landmachtgeneraal Hans Damen, werd er evenmin vrolijk van. „85 procent van de Nederlanders niet bereid te vechten voor ons land”, twitterde hij. „Tsja, wel de lusten, niet de lasten tot het te laat is.”

In de opinieonderzoeken die Amerikaanse instituten als Gallup en Pew Research jaarlijks doen naar de ‘vechtbereidheid' van burgers in de wereld, scoorde Nederland traditiegetrouw laag. Alleen Japanners, na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki bekend om hun pacifisme, eindigden met 11 procent nog lager. Marokkanen en de inwoners van de Fiji-eilanden toonden zich juist het vechtlustigst. Zij voerden met 94 procent de laatste internationale ranglijst aan.

De militaire conflicten van het laatste jaar (Oekraïne, Midden-Oosten, West-Afrika) en de vluchtelingenstromen naar Europa lijken echter ook hier iets in beweging te zetten. Een half jaar later is het percentage ja-zeggers in Nederland tegen dezelfde vraag gestegen naar 24 procent, zo blijkt uit onderzoek naar Motivaction onder een representatieve groep van 1.043 Nederlanders. Het aantal nee-zeggers daalde juist met 10 procent. Het aantal twijfelaars bleef ongeveer hetzelfde.

Of dit veel voor de internationale rangorde betekent, is overigens nog maar de vraag. Het kan goed zijn dat na de aanslagen in Parijs in andere, met name Europese, landen hetzelfde gebeurde. Dit kan echter vooralsnog niet worden aangetoond. De betreffende vraag werd niet opgenomen in de laatste grote, internationaal vergelijkende onderzoeken.

Dient zich het begin van een golf van vaderlandsliefde aan? Motivaction-directeur en psycholoog Pieter Paul Verheggen denkt van niet. „De uitslag is zowel statistisch als inhoudelijk zeker significant. Maar het is echt niet zo dat we nu meteen de neiging hebben om af te marcheren naar Vaals om daar de landsgrenzen te gaan verdedigen”, zegt hij. De stemmingswisseling is volgens hem subtieler. Deze heeft niet zozeer militaire betekenis. Ze gaat meer over veranderende waardenpatronen. Verheggen: „Het onderzoek laat zien dat een groeiend aantal Nederlanders door de internationale onrust het gevoel heeft dat er voor hen iets belangrijks op het spel staat. Iets dat voor hen persoonlijk grote waarde heeft. Vrijheden bijvoorbeeld voor vrouwen of homo’s, of bepaalde religieuze vrijheden. Het gevoel dat onze manier van leven op het spel staat, zal na de gebeurtenissen in Keulen en Parijs alleen maar verder gegroeid zijn.”

In Defensie-kringen wordt ook een verband gelegd met een veranderde houding tegenover missies van Nederland in de wereld. Die in Irak, Mali en tegen piraten bij de Afrikaanse kust kunnen op meer steun rekenen dan de controversiële militaire operaties in Irak en Afghanistan tussen 2003 en 2010. Volgens cijfers uit de laatste Defensie-monitor zegt 64 procent van de ondervraagde burgers trots te zijn op de Nederlandse militairen die worden ingezet in Irak. Zestig procent is dat over de piraterij. Wat minder, 47 procent, is positief over de militaire betrokkenheid in Mali.

Militair historicus Jaus Müller die meeschreef aan een onlangs uitgekomen boek over de geschiedenis van het Korps Mariniers, zegt: „Het verband tussen ons optreden in Irak tegen IS en de veiligheid thuis is voor het publiek duidelijker dan destijds ons optreden op Irak en Afghanistan. De aanslagen hier in Europa worden immers gepleegd in naam van IS. Onze militaire missies van voor 2010 werden omgeven door kwesties over de legitimiteit van het ingrijpen. En er werd door militairen aan schooltjes gebouwd. Het publiek vroeg zich soms af of onze krijgsmacht daar wel voor bedoeld was. Nu staat de militaire strijd zelf centraal.”

Maar er is nog een belangrijk verschil met eerdere missies in Irak en Afghanistan. Toen werd er meer gevochten en sneuvelden er dus ook meer Nederlandse militairen. De huidige missie in Mali heeft vooral een verkennend karakter. In Irak worden Koerden opgeleid om op de grond het vuile werk te doen tegen IS. Het kalifaat wordt alleen vanuit de lucht gebombardeerd door Nederlandse F16’s. Precies dat past juist weer bij een natie met een afkeer van al te grote risico’s.