Dank aan de brede vorming

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Hoe ging het er in de Tweede Wereldoorlog aan toe in de Nederlandse gevangenissen? Daarover was tot nu toe weinig bekend, afgezien van de verhalen van verzetsmensen die in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen, het Groningse Scholtenhuis of andere oorden van verschrikking hebben gezeten. Ralf Futselaar, verbonden aan het NIOD, behandelt in Gevangenissen in oorlogstijd 1940-1945 (1) de reguliere, civiele strafinstellingen. Die raakten overbevolkt. Naast de komst van politiek vervolgden en verzetsmensen, was er ook een grotere instroom van delinquenten die door Nederlandse rechtbanken waren veroordeeld en hadden de Duitsers proefverlof afgeschaft. De meeste politieke gevangenen verbleven relatief kort in de gevangenissen en huizen van bewaring alvorens te worden doorgestuurd naar executieplaatsen of Duitse concentratiekampen en tuchthuizen. De overbevolking van de strafinrichtingen leidde tot afschaffing van het cellulaire stelsel ofwel eenzame opsluiting. Zo werd de aanzet gegeven tot de modernisering die in 1953 uitmondde in de Beginselenwet gevangeniswezen. Over de rol van de Nederlandse bewaarders is Futselaar globaal positief: er was minder sprake van collaboratie dan bij de politie. Maar er zijn nogal wat archiefstukken uit deze periode spoorloos verdwenen. Naar de reden daarvan mogen we raden.

De Amerikaanse founding fathers zoals Jefferson en John Adams wilden universele, door de staat bekostigde opleidingen zodat íedereen zijn of haar talent kan ontplooien. Kom daar vandaag eens om in de VS. In Nederland is de democratisering van het onderwijs beter gelukt. Toch kampen ook wij met afbraak van studies die geen direct economisch profijt opleveren en dreigt er kaalslag in de geesteswetenschappen. Vandaar dat het sterke pleidooi van de Amerikaanse journalist Fareed Zakaria voor een her- en opwaardering van algemeen vormende studies, In defense of a liberal education, ook in Nederland instemmende reacties kreeg en nu door Monica Soeting is vertaald. Lof van de geesteswetenschappen (2) is gewijd aan ‘de noodzaak van helder denken, goed argumenteren en grenzeloze nieuwsgierigheid’. Zakaria betoogt dat technologische en commerciële studierichtingen niet volstaan voor succes op de arbeidsmarkt. Rendementsdenken botst op geestelijke ontplooiing. Maar pas op: het lijkt alsof de argumenten van Zakaria aansluiten bij de voorstellen voor een ‘brede bachelor’ in een ‘liberal arts college’ waar studenten van de UvA vorig jaar nu juist tegen in opstand kwamen. Omdat die ‘brede vorming’ in de praktijk de opheffing van onrendabele studierichtingen betekende.

Als iemand een product is van liberal education zoals bedoeld door Zakaria dan is het de Amerikaanse auteur John Williams (1922-1994). In diens roman Stoner (1965) verandert het leven van een eenvoudige boerenzoon ingrijpend als direct gevolg van zijn keuze voor een universitaire studie Engelse literatuur. Nu is ook zijn debuut Niets dan de nacht (3) (1948) verschenen. Hij schreef het op zijn 26ste toen hij aan de Universiteit van Denver bezig was met zijn Master of Arts. In een voorwoord stelt Williams’ biograaf Charles B. Shields dat dit debuut qua toon en stijl niet te vergelijken is met de latere romans. Ten onrechte. Weliswaar is het verhaal over de 24-jarige mislukte student Arthur Maxley die lijdt aan een jeugdtrauma, minder omvangrijk dan zijn latere boeken, maar de peilloze eenzaamheid en wanhoop van Stoner zitten er al helemaal in. We volgen slechts één dag uit het leven van de 24-jarige Maxley. Pas aan het eind wordt onthuld hoe dat leven al vroeg in een oogwenk werd vernietigd. Huiveringwekkend prachtig.

Het zelfde geldt voor de gedichten van W.G. Sebald (1944-2001), icoon van de Europese humaniora. Wie zijn magnum opus Austerlitz heeft gelezen, wil zijn hele oeuvre kennen. Daar hoort ook zijn betrekkelijk onbekende poëzie bij. Net als Sebalds hybride proza gaan de in Over het land en het water geselecteerde gedichten vaak over dood, verlies, geheugen en de onbevattelijkheid van de (Europese) geschiedenis. Ria van Hengel leverde een topprestatie, niet alleen met haar vertaling, maar ook met de erudiete toelichting bij de gedichten. ‘Door Holland in het donker’ heeft geen uitleg nodig: ‘In de kassen/ loeren de komkommers’ luidt de eerste strofe van dit sobere gedicht, dat zo eindigt: ‘Van het aangewonnen land/ geen spoor’.