Schrijvend tot bijna alles in staat

Hij was een van de grootste talenten van de Nederlandse literatuur, maar Nanne Tepper ging ten onder aan depressies. Zijn brieven, vol stilistisch vuurwerk, vormen het geweldige zelfportret van een getroebleerde kluizenaar.

Illustratie Paul van der Steen

Op 16 juni 2012 belandde de auto van Nanne Tepper na een slip in het Rietdiep. Terwijl omstanders probeerden het portier open te krijgen greep de Groningse schrijver naar zijn shag om een laatste sigaret te draaien. Hij werd gered. Vijf maanden later maakte Nanne Tepper (50) thuis een einde aan zijn leven.

De anekdote van de bijna-verdrinking is niet te vinden in De kunst is mijn slagveld, de kolossale verzameling brieven van Tepper die vandaag verschijnt. De brieven beslaan de periode 1993-2001, zijn periode van ‘heldere waanzin’, volgens collega Wouter Godijn. Het zijn de jaren waarin Tepper (1962-2012) boeken als De eeuwige jachtvelden en De avonturen van Hilliebillie Veen publiceerde; de Groninger gold als een van de grootste talenten van de Nederlandse literatuur.

In het leven van Tepper zitten die acht heldere jaren ingeklemd tussen zware perioden. In de jaren tachtig zocht hij, bink op cowboylaarzen, de rafelranden van het Groningse uitgaansleven op, in een vrijwel constante roes van drank en drugs. Thuis staarde hij, zoals hij het zelf uitdrukte, langdurig naar het plafond – maar hij knoopte zich niet op. In de eenentwintigste eeuw raakte hij door depressies en de medicijnen die daartegen moesten helpen zo van de wereld dat er geen literatuur meer uit zijn vingers kwam. Niet dat je details over de laatste elf jaar nodig hebt om de slechte afloop aan te zien komen: De kunst is mijn slagveld eindigt in opperste mismoedigheid.

Het boek is gebaseerd op het brievenarchief dat Tepper heeft nagelaten: Nick ter Wal bracht meer dan duizend pagina’s terug tot een respectabele zevenhonderd. Daarbij heeft hij geen literair-historische uitgave gemaakt. Noten bevat het boek niet, om hij de vaart van de brieven niet wilde breken. Die keuze maakt dat je als lezer soms moet vissen naar de context, maar dat kleine nadeel wordt geheel gecompenseerd door de overrompelende leeservaring: De kunst is mijn slagveld is een geweldig boek geworden, Teppers eigen verslag van zijn jaren als literator.

Het is verleidelijk om dit stuk vanaf hier helemaal te vullen met citaten van Tepper, die in de eerste brieven van de verzameling (aan tijdschriftredacteur Marc Kregting) zijn best doet om een zo scherp mogelijk beeld van zijn kunnen en voorkeuren te geven. ‘Een blad met de titel Maatstaf naar het Noorden verzenden zonder daarbij gesaboteerd te worden door een Drent met een brommercomplex, of een Fries die een achterneef van Abe Lenstra beweert te zijn, is niet eenvoudig.’ En even verder: ‘Gimmick! vind ik een ernstig voorbeeld van “typen”, een verwijt dat, zoals je weet, Capote (die ik briljant vind) Kerouac (die ik liefheb en tegen iedere onverlaat in bescherming neem) eens maakte, niet geheel maar toch ten dele ten onrechte.’

Harry Mulisch

Zwagerman moet het toch al ontgelden bij Tepper, die zijn Amsterdamse collega afwisselend Jaap Zwelgerman en Joepie Joepie is Gekomen noemt. Nog minder heeft hij op met Harry Mulisch, auteur van ‘De ontdekking van een zemel’. Zo haalt hij de een na de ander over de hekel, zeker als hij vermoedt dat een schrijver al te nauwe banden heeft met het luiletterland in ‘Hamsterdam’. Wanneer na verschijning van De eeuwige jachtvelden journalist Reinjan Mulder hem namens NRC Handelsblad bezoekt, is hij stomverbaasd: ‘een uiterst innemende man, opzienbarend pretentieloos en tot dusver zeer correct in de prille zakelijke omgang. (Daar ik nooit in Amsterdam kom weet ik niet of er meer mensen in die kringen werken die zo weinig pompeus zijn als deze meneer [...])’

Vrijwel de hele Nederlandse en internationale literatuur komt langs in persoonlijke oordelen. ‘ABCDEFG’ van der Heijden is soms briljant, maar soms helemaal niet, Rosenboom is een Hollandse Flaubert, Kellendonks Mystiek lichaam is interessant, maar belabberd geschreven. Over dichters: ‘Poëzie dient over goden en demonen, steden en landerijen, vloeken en tieren, kwijlen en creperen, aanbidden en verguizen, stront en pest, liefde en verliefdheden, dood en verderf, enzovoorts te gaan en niet over “het schattige snottebelletje van mijn zoontje” (Otten), “de sneeuwschep van mijn buurman” (cyclus van twintigduizend regels door de bard [de Groningse dichter Remco] Ekkers), “de domme toerist versus mijn kunstminnende ikke” (Beurskens), “zukke mooie wolkeluchten hebbie thuis nie” (Hertmans), “de werkelijkheid van mijn werkelijkheid” (Duinker), “de bladiewablablaa van Oebele” (Lucebert) [...] en ga zo maar door. Daarom schrijf ik geen poëzie meer als ik bij mijn positieven ben.’

Minstens zo aanstekelijk is Tepper als hij het over zijn liefdes heeft. Boven zijn schrijftafel hangen zijn helden: portretten van Nabokov en Cruijff, een brief van Gerard Reve. Met die laatste wilde Tepper hartstochtelijk graag corresponderen, maar dat komt er niet echt van. Dat is niet verwonderlijk als je de paar brieven van Tepper aan Reve leest. Daarin is hij ineens kalm en bijna onderdanig en mist hij ‘de swing van de schwung’ (een favoriete uitdrukking van Tepper) die de andere brieven zo sterk maken.

Intussen snijden ook zijn voetbalanalyses hout. Wanneer je hem leest over hoe het Braziliaanse WK-middenveld van 1994 ‘op één lijn’ speelt zie je hem zo aanschuiven bij een voetbalpraatprogramma. Maar ja, Tepper wilde zelfs niet op tv en radio om zijn werk te promoten.

Porno

De kunst is mijn slagveld is niet alleen stilistisch vuurwerk. De brieven vertellen ook een verhaal – en een vrolijk verhaal is dat niet. In de eerste tientallen brieven zie je de hyperambitieuze schrijver, die indruk wil maken op elke nieuwe correspondent – met zijn stijl, zijn durf en zijn persoonlijkheid. Zo trakteert hij de vriendin van een vriend zonder gêne op een verhandeling over papegaaienkutjes en andere aanwijzingen bij het kijken van porno. Zijn geliefde noemt hij consequent zijn ‘zusje’, alsof hij leeft in de plot van zijn incestroman De eeuwige jachtvelden.

Hij weet wel dat hij een moeilijke man is, schrijft hij naar aanleiding van zijn debuut: ‘Het is geen autobiografische roman, het is – excusez le mot – een schepping, of, zoals sommige mensen wellicht zeggen zullen, een creatuur. Ik zou kunnen zeggen dat mijn behoefte een roman te schrijven die naar hoop neigt, voortkomt uit mijn enige echte liefde: de kunst. Want van nature ben ik somber, argwanend, opstandig, bijgelovig, en pathologisch verongelijkt.’

Boven alles uit torent aanvankelijk de zucht naar literaire erkenning. Hij wil naar buiten treden. Tepper schaaft en prutst aan zijn werk, hoopt met volle kracht op publicatie van zijn verhalen en essays, maakt ruzie, denkt de beste van de wereld te zijn, gelooft nergens meer in. En, dat moet gezegd, hij herhaalt zich regelmatig. Tot hij door bemiddeling van Atte Jongstra wordt binnengehaald bij uitgeverij Contact en De eeuwige jachtvelden eindelijk wordt gepubliceerd.

Het is dan september 1995 en we zijn op pagina 450 van het boek. Daarna worden Teppers brieven korter en de briefwisselingen wat ‘normaler’. Daarmee zijn ze nog niet meteen vrolijk. Want Tepper mag dan in recordtijd literaire status hebben bereikt, hij wordt daar niet per se vrolijk van. Hij is te zeer een kluizenaar om te kunnen genieten van het feit dat nu iedereen zijn stukken wil hebben. Hij grijpt vaker naar de eerder afgezworen fles en voert zijn prozacgebruik op. Dat laatste schrijft hij aan Geerten Meijsing, wiens brieven aan Tepper tegelijk met De kunst is mijn slagveld zijn uitgekomen (zie kader). Hij gaat in gesprek met Meijsing steeds meer nadenken over zijn schrijverschap: ‘Conclusie is dat ik mijzelf geen romantisch kunstenaar zou willen noemen, omdat ik mij niet troost met eigen werk, noch wraak neem op de materie’.

In 1998 werd De vaders van de gedachte nog genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, die naar of all people de diep geminachte Harry Mulisch ging. Als steeds meer Tepper door de vingers glipt, is Meijsing een van de weinigen met wie hij de correspondentie in stand kan houden – en tegenover wie hij met iets als een excuus komt na een aanvaring: ‘De overgave waarmee ik vriendschappen aanga is door mij blijkbaar uiterst morsig gedemonstreerd of jou compleet ontgaan.’

Jezusbeeld

Overgave is het sleutelwoord in dit prachtige, vuistdikke zelfportret. Niet omdat Tepper zo openhartig is. Hij laat het achterste van zijn tong zelden zien, zo staat al in de inleiding van Nick ter Wal. De ellende klinkt toch wel door als hij begin 1999 aan Max Niematz schrijft over een treurige Kerst en een Jezusbeeld (ook religie spookt op de achtergrond door het boek): ‘Wij hadden die tweede dag met hernieuwde moed Jezus weer in de kamer gehangen (dat deden we al eens eerder maar toen werd mijn bruid ongeneeslijk ziek en wilde ik die kop van Hem niet meer zien). Boontje komt om zijn loontje, want onze kat begon dus prompt te creperen en moest worden afgemaakt en vlak daarna reed mijn zwager tegen een boom (hij overleefde, maar toch) dus hebben we Jezus weer naar de gang verbannen. Die man blijft maar zeuren over de plek waar Hij vastgespijkerd wordt. Ook goed. Ik ben niet van deze tijd, maar Jezus kan er ook wat van. Narcisten onder mekaar, zullen we maar zeggen.’

Het is even virtuoos als triest. Tepper keert zich naar binnen. De laatste brief in het boek is van juni 2001, als Tepper de vrienden schrijft die hij eerder nog vermaakte met pornocolleges. Van die vrolijkheid is geen spoor meer te vinden. Hij schrijft dat hij met ADHD is gediagnosticeerd en Ritalin slikt. Niet dat het helpt. Met mensen gaat hij niet meer om. ‘Ik ben op geen enkele wijze in staat tot fatsoenlijk sociaal verkeer, en ik weet dat ik mensen daarmee kwets, ik weet in ieder geval dat ik jullie daarmee kwets. Vandaar dat ik maar beter met het laatste beetje waardigheid dat ik mezelf toeschrijf afscheid van jullie nemen kan. Van mij toch enkel stilte of een heel enkele keer wat somber gezeur; ik wil het niemand meer aandoen.’ Dat is het aangrijpende verhaal van De kunst is mijn slagveld: dat van een geweldige schrijver die in opperste onafhankelijkheid tot bijna alles in staat was. Bijna, maar net niet alles: hij kon zichzelf niet troosten.