Column

Retorica werd weer hip – dankzij Obama

Veel zal gezegd worden over het decennium Obama. Eén ding staat buiten kijf: hij herinnerde Amerika en de wereld aan de kracht van retorica. Met welgemikte toespraken – zoals die van de onbekende senator in Illinois tijdens de Democratische Conventie in 2004 – maakte hij van zijn eigen verhaal een springplank naar de macht. Ook als president gebruikte hij het gesproken woord als vehikel van verandering, zoals Reagan, Kennedy, Roosevelt of Lincoln voor hem. Maar Obama deed het in de 21ste eeuw.

Hij blies voor de Youtube-generatie het stof af van een genre dat de Grieken en Romeinen al verfijnd beheersten. Velen hingen aan zijn lippen, zeker de eerste jaren. Tweeduizend jaar na Aristoteles en Quintilianus liet hij weer eens zien dat welsprekendheid een kunst is. Eentje die niet alleen om feiten en argumenten vraagt (zoals de wetenschap) maar ook om oordeelsvermogen en overtuigingskracht. Daarom doen stem en lichaamshouding ertoe, net als emotie en geloofwaardigheid.

Retorica werd dankzij Obama hip. Zie het wereldwijde succes van TED Talks. Ook Nederland beseft dat een politieke toespraak meer is dan cadeaupapier. Deze zomer komt De Wereld Draait Door – als ik een bijzin van het recente gesprek met Wouter Bos goed begreep – met een heuse zomerschool politieke retorica. Een top-veertig is gauw gemaakt.

Kritiek op Obamas retorica kwam er ook vanaf dag één. Ironisch wordt hij door de Republikeinen weggezet als ‘speech-giver in chief’, ongeschikt als ‘commander in chief’. Het zit hem hoog. In zijn State of the Union deze week trof opnieuw hoe trots Obama is – zie zijn blik, hoor de toon – dat Amerika onder zijn opperbevelhebberschap Osama bin Laden te pakken kreeg. Die operatie uit 2011 brak het beeld van de begaafde speecher die niks klaarkreeg, absoluut nodig voor zijn herverkiezing het jaar erna.

Omgekeerd kon Obama de Nobelprijs voor de Vrede (2009) binnenlands missen als kiespijn. Hij had nergens vrede gebracht maar kreeg de prijs vanwege een beloftevolle toespraak in Kaïro, handreiking naar de moslimwereld. Dat was een inkoppertje voor de critici. Bij de prijsuitreiking in Oslo citeerde de laureaat zijn voorbeeld Martin Luther King, maar zei ook heel bewust: „Ik sta hier als de commander in chief van een land in oorlog.”

Frappant is dat niemand anders dan Hillary Clinton de aanvalslijn op Obama-de-redenaar inzette. Het was tijdens de keiharde Democratische voorverkiezingen van 2008. Zij was klaar voor leiden en beslissen (lees: daden), terwijl haar onervaren rivaal bezig was met inspireren en verbinden (lees: woorden). Met een ondubbelzinnige verwijzing naar én Obama’s held én de achterkamertjespresident die de wetgeving voor gelijke burgerrechten voor zwarten door het Congres sleepte, sneerde Hillary: „Ik solliciteer niet op de baan van Martin Luther King, maar op die van Lyndon Johnson.” Die zat! Maar het sloeg als een boemerang terug. Vanwege opmerkingen die haar man Bill kort ervoor had gemaakt kreeg Clintons uitspraak een racistische ondertoon. Obama nam een voorsprong die hij niet meer uit handen gaf. En trouwens, omgekeerd is een opperbevelhebber die niet uit zijn woorden komt ongeschikt. Neem WO II: redenaar Hitler in stadions versus redenaar Churchill in het parlement.

In een vooruitblik op Obama’s rede schreef de NOS website deze week: „Maar hoe indrukwekkend zijn speech ook is komende nacht, een echte impact zal het nauwelijks hebben: het blijven immers woorden.” Daar is-tie weer: Geen woorden maar daden! De slogan is leuk voor het voetbalveld, maar niet in de politieke arena. In de politiek is spreken de hoogste vorm van handelen.