Ode aan een radiolegende en visionaire poppromotor

Zo’n 35 jaar was hij de invloedrijkste radiodeejay ter wereld. Hij wist hits en nieuwe, populaire genres te voorspellen. Over deze ‘grumpy old man’ van BBC-radio is nu alles tot op de bodem uitgezocht.

BBC Radio DJ John Peel in een schoolmeisjes- uniform, 1973 Foto Michael Putland/Getty Images

Op 25 augustus 1978 draaide John Peel het plaatje I Don’t Care What the People Say van de Nederlandse punkgroep The Helmettes in zijn BBC-radioshow. Peel hield er van om de namen van punkmuzikanten in hun volle zelfverzonnen glorie op te lezen. ‘De gitarist heet Pi Pi, geschreven in Griekse letters,’ bromde de presentator goedkeurend. ‘Frankenstein is de andere gitarist. De drummer, ben ik bang, noemt zich Ronnie Tampon.’

Droge humor en een voorliefde voor obscure, onafhankelijk uitgebrachte platen waren twee van de redenen waarom John Peel, geboren John Ravenscroft (1939-2004) zich 35 jaar bij de BBC kon handhaven als de invloedrijkste radiodeejay ter wereld. Als voorvechter van punk, gothic, grindcore en drum ’n’ bass nam hij een voorhoedepositie in bij de starre BBC, waar het hem een radiocarrière lang moeilijk werd gemaakt om tijd en aandacht aan die ondergeschoven genres te besteden. Peel gaf niets om luistercijfers, maar ondertussen speelde hij een belangrijke rol bij de ontdekking van popfenomenen als David Bowie, The Sex Pistols, Radiohead en Underworld.

Voor Good Night and Good Riddance, de kreet waarmee Peel vaak afscheid nam van zijn nachtelijke radiopubliek, koos schrijver David Cavanagh een interessante researchmethode. Hij dook in de archieven van Radio London (waar Peel in 1967 begon) en van de BBC en beluisterde honderden radioprogramma’s. Uit Peels The Perfumed Garden, Top Gear (toen nog een pop- en geen autoprogramma), de John Peel Show en sporadische tv-bijdragen aan Top Of The Pops kiest hij een representatieve uitsnede.

Na een lijstje van de gedraaide artiesten op een bepaalde datum reproduceert Cavanagh steeds een nieuwsbericht van die dag over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Engeland, afgewisseld met sportnieuws en berichten uit de boulevardpers.

Buitensporige liefde

Vervolgens neemt Cavanagh een of meer namen uit de artiestenlijst en analyseert de context waarin de muziek gedraaid werd, met nadruk op de eigenzinnige visie die Peel tot zijn muziekkeuze bracht. Waarom was de excentrieke Ivor Cutler de artiest die door de jaren heen de meeste live-sessies voor Peel mocht doen? Waar kwam zijn buitensporige liefde voor The Undertones en The Fall vandaan? Hoe kon het dat hij reggae, Afrikaans, minimale techno, heavy metal en gekke noveltyplaatjes dwars door elkaar in hetzelfde programma draaide? Waarom kreeg Peel nooit waardering van zijn programmadirecteuren voor het feit dat hij vaak maanden van tevoren kon voorspellen welke nummers hits zouden worden, en welke nieuwe genres bij een jong publiek zouden aanslaan?

Beginnend in de ‘Summer of Love’ van 1967 brengt Good Night and Good Riddance een fascinerende kroniek van culturele en maatschappelijke bewegingen in Engeland. Peel bemoeide zich niet direct met politiek, maar via de muziek van Billy Bragg, Robert Wyatt en Public Enemy hield hij een vinger aan de pols met betrekking tot de diverse protestbewegingen in de popmuziek. Het begrip ‘indie’ werd praktisch door Peel uitgevonden, sinds hij met het honderden malen gedraaide Teenage Kicks van de Ierse Undertones steun gaf aan onafhankelijke platenmaatschappijtjes uit de regio. Al veertien jaar voordat de Britpopgroep Pulp in 1995 doorbrak met Common People draaide Peel de eerste demo van de (toen nog) nieuwkomers uit Sheffield.

Beter dan Michael Heatley’s boek John Peel: A Life in Music (2004) en de postuum door Peels vrouw Sheila voltooide autobiografie Margrave of the Marshes (2005) toont Good Night and Good Riddance wat zich afspeelde in Peels hoofd bij zijn onvoorwaardelijke keuze voor de muziek van The White Stripes toen het Amerikaanse rockduo volstrekt onbekend was, of de hardnekkigheid waarmee hij zich schaarde achter door andere BBC-diskjockeys verguisde genres als happy hardcore en folktronica.

Primeurs

Peel kreeg ruzie met platenmaatschappijen die hem primeurs wilden ontzeggen, nadat de muzikanten in kwestie hem het eerste exemplaar van hun album al maanden eerder hadden opgestuurd. Toen XL Recordings hem de single Seven Nation Army van The White Stripes bezorgde met de mededeling dat hij het nummer nu officieel mocht draaien, stuurde Peel het plaatje hooghartig terug.

In 1998 werd Peel geridderd in de Order of the British Empire; in 2002 verkozen tv-kijkers hem tot 43ste op een lijst van de honderd belangrijkste Britten, vóór koning Arthur en Florence Nightingale. Tony Blair noemde hem ‘een ware radiolegende’, tot gruwel van Peel die vond dat de premier zich niet aan zijn verkiezingsbeloften had gehouden.

De grumpy old man van de Engelse radio heeft nu eindelijk het boek gekregen dat hij verdient, met een duizelingwekkend aantal namen van groepen en artiesten die hun kortstondige of eeuwigdurende bekendheid aan hem danken.