Klassieker van nozem en cultheld Thompson verstript

Een stripfiguur was Hunter S. Thompson al, maar nu heeft de roemruchte ‘Gonzo-journalist’ ook nog eens zijn eigen graphic novel. De Amerikaanse tekenaar Troy Little bewerkte Thompsons Fear and Loathing in Las Vegas (1971) tot een beeldroman, naverteld op basis van de teksten uit het boek. Zo wil hij deze beroemde reportage van Thompson, waarin de auteur met een kofferbak vol drank en drugs op zoek gaat naar de ‘Amerikaanse Droom’, een impuls geven voor jongeren. Zijn beeldverhaal is ook een eerbewijs aan Thompson (1937-2005), die voor Little en vele anderen nog steeds een non-conformistische cultheld is.

Deze klassieker willen ‘verstrippen’ lijkt een hachelijke onderneming, omdat juist dit werk van Thompson in het origineel al briljante, uitzinnige tekeningen bevatte van de fameuze Britse illustrator Ralph Steadman. Kom daar maar eens overheen.

Dat heeft Little dan ook niet geprobeerd, zijn stijl is niet expressionistisch, maar cartoonesk. De personages zijn geen ontregelde karikaturen, maar inderdaad: stripfiguren. Ondanks de getekende hysterie op de pagina’s, doet zijn werk in intensiteit onder voor dat van Steadman.

Of het boek dan toch een geslaagd eerbewijs aan Thompson is, hangt vooral af van het oordeel van de lezer over het werk van de psychedelische nozem Thompson. Begin jaren zeventig maakte hij naam met ‘nieuwe journalistiek’: op drank en drugs gestookte reportages, waarin hij zelf een hoofdrol speelde. Dat leverde hem blijvende roem op – al schreef hij daarna vrijwel niets interessants meer.

Cartoonist Gary Trudeau maakte een personage van hem, ‘Dr. Duke’ in de reeks Doonesbury. Er verscheen een action figure van hem. Kortom, Thompson werd een gevangene van zijn door hemzelf gecreëerde imago van non-conformist, een opgefokt icoon van de Amerikaanse roescultuur. Zijn latere depressies en zelfmoord deden daar geen afbreuk aan, integendeel.

Little’s bijna-letterlijke getekende versie van Fear and Loathing in Las Vegas past bij die dweepzieke bewondering, die van Thompson vooral een feestbeest wil maken dat uit zijn dak gaat en zich nergens iets van aantrekt. In dat opzicht is het eerder een trouwe kopie van de filmversie met Johnny Depp uit 1998 dan van het originele boek, dat subtieler is, en vooral geestiger, dan de reputatie ervan doet vermoeden.

Evenals de film mist het beeldverhaal de melancholieke ondertoon van het origineel, dat wel is beschouwd als een ‘afscheid van de jaren zestig’. Thompsons mijmeringen over dat decennium komen in de strip wel voor, maar steken bleekjes af bij het razen en tieren – de man is hier vooral kwáád. Ook Thompsons zelfspot, zijn gevoel voor overdrijving, satire en slapstick, verdwijnen onder de golven van de roes.

Het boek is beter – en geen strip.