Jihadisten in het strafrecht

Dat zou vaker moeten gebeuren – strafrechters die de dilemma’s in hun dagelijks werk publiek maken. Zeker als dat geprofileerde zaken zijn, in spannende tijden met angstige burgers. De Rotterdamse strafrechter Jan van der Groen zei deze week dat jihad-verdachten de rechtspraak voor een probleem plaatsen.

Kort samengevat: wat kunnen we eigenlijk met ze beginnen? Jihadgangers zijn ‘lastig te straffen’. Straffen zijn immers allang niet meer beperkt tot digitaal opsluiten – en na een poosje weer vrijlaten, meestal met recidive als resultaat. Een moderne straf bestaat uit maatwerk: naast de detentie of werkstraf zijn de maatregelen steeds belangrijker geworden. Net als de voorwaarden waaronder een straf langer of korter kan worden. Ook ‘ontneming’ van de winst speelt een grote rol. Daders die inzicht tonen kunnen in therapie hun gedrag veranderen, hun verslaving beëindigen, of hun seksuele oriëntatie leren beheersen. Dergelijke straffen hebben zin, ‘helpen’ meer en zijn effectiever dan louter opsluiten.

Het probleem met jihadgangers is dat zij overtuigingsdaders zijn. Als ze al bekennen wil dat niet zeggen dat ze ook inkeer tonen; voor hen kan een vonnis een erkenning zijn eerder dan een veroordeling. Overtuigingen kun je niet wegnemen met een straf, aldus Van der Groen. Er bestaat geen ‘Educatieve Maatregel Islam’, zoals die wel bestaat voor alcohol in het verkeer. De klassieke doelstellingen van het strafrecht, vergelding, preventie en rehabilitatie zijn bij jihadisme maar beperkt werkzaam. Deze daders wijzen de rechtsstaat af – en dus ook het rechte pad, waarop ze in beginsel weer welkom zouden zijn.

Van der Groen meent dat „meer onderzoek” moet komen naar het effect van de huidige strafrechtelijke aanpak van jihadisten. Dat is een elegante manier om te zeggen dat het effect nu waarschijnlijk eerder averechts is. Opsluiten, zeker in een eigen, aparte terroristenafdeling, leidt eerder tot volharding en verstarring dan tot inzicht of aanpassing. In ieder geval maakt het de terreurverdachten makkelijker om zich als politieke delinquenten te gedragen, verwikkeld in een ideële strijd. Terwijl de rechtspraak hen als gewone criminelen wil zien. Wat dan niet helpt is dat in hun zaken oncontroleerbare AIVD-informatie meespeelt. Van der Groen meent dat de rechter daarmee „niet zou moeten werken”.

Dat is stevige kritiek. Feitelijk spreekt hij ook zichzelf toe. Wat let hem om zijn eigen advies op te volgen? Jihadgangers veroordelen is niet alleen lastig of niet erg zinvol, het bewijs is deels ook nog van onbekende herkomst. De rechter heeft ook wel le devoir de déplaire, de plicht om te mishagen. En de rug recht te houden.