Een huisvrouw zonder huishouden in een perfecte schets van het onbehagen

Soms is een boek een feministisch pamflet zonder pamflettistisch te zijn – en dat geldt voor Penelope Mortimers De pompoeneter (1962). Aan het begin van de roman trouwen een man en een vrouw. Zij heeft kinderen, hij droomt van een carrière in de film. Er komen veel nieuwe kinderen. De man krijgt succes, een minnares, een drankprobleem en nog een minnares.

De (naamloze) vrouw niet. We lezen haar levensverhaal zoals zij dat met horten en stoten vertelt aan een psychiater: ‘Ik zal proberen oprecht te zijn tegenover u, al denk ik dat u eerder geïnteresseerd bent in mijn onoprechtheid, als u begrijpt wat ik bedoel.’ Ze is een ongelukkige huisvrouw met steeds minder huishouden, door het toestromende personeel.

Depressies volgen. Het moederschap brengt haar geen geluk, niet voor niets gaat het in het boek steeds om haar vele kinderen, maar wordt er nooit gezegd hoeveel het er precies zijn; slechts een enkeling wordt bij naam genoemd.

Het probleem van de vrouw is niet dat ze in haar ambities gefrustreerd wordt, maar dat ze amper ambities heeft; het enige waarvoor ze plannen maakt is het krijgen van meer kinderen. Erger nog is dat gebrek aan ambitie zo lang de sociale norm is geweest – ook in de progressieve kringen waar Mortimers roman speelt.

Uit elke zin in deze scherpe en subtiele roman blijkt dat haar intelligentie niet het probleem is. Dit is een vrouw die niet weet dat ze iets te willen heeft. Het maakt De pompoeneter tot een feilloze schets van het onbehagen bij de vrouw vóór de tweede feministische golf.