De primeur van hun leven

Veertig jaar geleden was Rotterdam dé krantenstad van Nederland. In die tijd hadden twee journalisten van Het Vrije Volk wereldnieuws: ze onthulden de Lockheed-affaire. Maar hun rol in de affaire raakte in de vergetelheid.

Eens per maand reist Geert-Jan Laan vanuit Groningen naar Rotterdam. Van het Centraal station wandelt hij naar café De Vijgeboom op de Oude Binnenweg voor de redactievergadering van Vandaag en Morgen. Hij is hoofdredacteur van de journalistieke website, die hij met oud-collega’s van Het Vrije Volk maakt. Vandaag wat vroeger dan normaal voor een interview over het hoogtepunt van zijn carrière: de onthulling van de Lockheed-affaire.

Het is in 2016 precies veertig jaar geleden dat ‘Lockheed’ de monarchie deed wankelen. Verhalen over steekpenningen die prins Bernhard zou hebben aangenomen van vliegtuigfabrikant Lockheed zorgden voor een constitutionele crisis, die door minister-president Den Uyl werd bezworen met een uniformverbod voor de prins-gemaal en ontslag uit al zijn officiële functies. Het was de laatste keer dat de positie van de Oranjes ernstig in gevaar kwam. Juliana dreigde met aftreden als Bernhard vervolgd zou worden en prinses Beatrix (bleek later) weigerde in dat geval haar moeder op te volgen.

Als scholieren tegenwoordig een werkstuk over deze tumultueuze episode in de vaderlandse geschiedenis willen schrijven, lezen ze op Wikipedia dat de affaire aan het licht kwam door hoorzittingen in de Amerikaanse Senaat. De waarheid was spannender. Nog voordat Bernhards naam tijdens die zittingen werd genoemd, onthulde Het Vrije Volk op 5 december 1975 de banden tussen de prins en de vliegtuigbouwer.

Drie maanden eerder tuften Geert-Jan Laan en (de inmiddels overleden) Rien Robijns in een rode DAF 66 naar Liechtenstein om onderzoek te doen naar belastingparadijzen. De Rotterdamse journalisten waren in contact gekomen met een belastingspecialist in de dwergstaat. Geert-Jan Laan: „Rien was nogal recht door zee en zei tegen hem dat het door belastingparadijzen als Liechtenstein kwam dat Den Uyl zijn werk niet kon doen. Daarop werd die man kwaad en zei: „Je moest eens weten: de hoogste Nederlanders maken gebruik van Liechtenstein.”

„Nou”, zeiden wij „zeg het maar. Den Uyl, Duisenberg, Lubbers?” „Nee”, zei hij. „Kijk maar eens naar het kasteel van de moeder van prins Bernhard, Warmelo.” Hij wist de naam zelfs. „Dat is verkocht aan een trust in Liechtenstein. Het is een constructie van Amerikaanse vliegtuigfabrieken om commissies te betalen aan mensen op sleutelposities.”

Terug in Nederland hebben we dat opgezocht in het kadaster. Het bleek te kloppen. Maar we hadden maar één bron. Tot op 5 december een oud-medewerker van Lockheed, ene Hauser, de naam prins Bernhard lekte. Ik was op de redactie toen onze correspondent in Washington belde met dat nieuws. Ik liep meteen naar de hoofdredacteur om te zeggen dat we een tweede bron hadden. ‘We gaan’, zei hij meteen, dus die middag stond het op de voorpagina. Wij waren de eersten ter wereld die aandurfden om te publiceren.”

Het nieuws werd in Nederland alleen door enkele regionale kranten overgenomen. Landelijke dagbladen lieten het liggen. Alleen Nieuwe Revu dook er op. „De Nederlandse pers was nog sterk verzuild en lette meer op het partijbelang dan op het algemeen belang. Het koningshuis was razend populair. Wij hadden het geluk dat wij Herman Wigbold als hoofdredacteur hadden, die zelf al wat onthullingen op zijn naam had staan.”

„Die Sinterklaasmiddag heeft Den Uyl prins Bernhard gebeld om te vragen of het waar was. Die ontkende in alle toonaarden waarop de premier het heeft laten rusten.” Pas toen in januari vanuit de Amerikaanse senaat meer details naar buiten kwamen, ondernam Den Uyl actie.

In het diepste geheim werden Geert-Jan Laan en Rien Robijns door de ingestelde commissie van drie ondervraagd. „Zo kwamen we in contact met hun secretaris, de jonge jurist Ad Geelhoed. Die heeft zich daarna ontwikkeld tot onze ‘Deep Throat’ . Van hem heb ik het bewijs gezien dat Bernhard geld van Lockheed ontving via de huisgenoot van zijn moeder én het bewijs dat hij ook steekpenningen had ontvangen van de vliegtuigfabriek Northrop.” Ook wees Geelhoed hen erop dat de BVD hun telefoons afluisterde. Net Watergate.

Na Lockheed kregen de onthullers een eigen onderzoekspagina in de krant, waarvoor ze in 1980 de Prijs voor Dagbladjournalistiek kregen. „Aan Lockheed wilde de jury zich niet wagen denk ik.” Gefrustreerd over het gebrek aan erkenning is hij niet. „Ik hoef niet zo nodig de man van de Nederlandse Watergate te zijn.”

In de huidige journalistiek verfoeit Laan de sensatiezucht: „Het is inmiddels doorgeslagen naar een soort hijgerige journalistiek waarin ze over elkaar heen buitelen zonder dat er echt onderzoek aan ten grondslag ligt. Blijkbaar denken ze dat er publiek voor is. Ik kijk eigenlijk nooit meer naar de Nederlandse televisie. Van Nieuwkerk, Pauw, het zijn allemaal oneliners.”

Ondanks deze kritiek zul je Geert-Jan Laan niet snel betrappen op nostalgische overpeinzingen. In Rotterdam praten zijn generatiegenoten vaak wel met weemoed over die jaren zeventig, toen de redacties gecentreerd waren rondom de Witte de Withstraat, met als bruisend middelpunt café De Schouw. „Vroeger was heus niet alles beter. Kwaliteitskranten als NRC, Volkskrant, maar ook de VPRO bedrijven – meer dan in mijn tijd – goede onderzoeksjournalistiek. Het is nu opener en er is meer mogelijk. Toen had je veel officieel nieuws, eindeloze verhalen over raadsvergaderingen.”

Maar mooie verhalen over vroeger heeft hij genoeg. „Kijk, als iemand ons telefonisch niet wilde spreken, gingen we er gewoon heen. Dat waren vaak oudere heren uit het bedrijfsleven die in Zwitserland woonden. Daar keken die Zwitsers wel van op als we in die DAF door de bergen suisden. Met een fles jenever en een doosje bolknakken belden we dan aan en meestal mochten we dan toch wel binnenkomen.”