Column

De meisjes en de aasgieren

Het kampioensfeest van Feyenoord in april 1999 op de Coolsingel. Die orgie van geweld. Daar moet hoofdinspecteur Wim Rijntalder van de Rotterdamse politie aan denken als hij hoort van de massa-aanranding in Keulen. Rijntalder was toen pelotonscommandant van de Mobiele Eenheid. Met 300 MEers moesten ze een kwart miljoen supporters in bedwang houden. „Wij waadden door een anonieme, dronken massa.” En toen hij in de commandobus kwam, zat die tot zijn verbazing vol vrouwen. „Ze waren aangerand, in hun kruis gegrepen, in hun borsten geknepen.’’

Een ontremde situatie noemt hij dat. Hij ziet het jaarlijks met Oud en Nieuw in de stad. „Mensen denken dat alles mag en kan. Dat het een traditie is om andermans auto in de fik te steken.” Blanke kaaskoppen doen dat en Nederlanders met wortels in Turkije, Marokko, Suriname en de Antillen.

„Hindoestanen bijvoorbeeld kunnen vaak niet goed tegen drank. Dan krijgen ze hun agressie moeilijk gereguleerd.”

Om vier uur ’s nachts gaat het gisten: vechtpartijen, schietpartijen, straatroof. Groepen jongens, „aasgieren”, die in hun medemens alleen een potentieel slachtoffer zien. „En vrouwen zijn een makkelijke prooi.”

Slachtoffers worden in de drukte vaak overvallen. Zoals het groepje 15-jarige meisjes met korte rokjes dat afgelopen jaarwisseling in Rotterdam-Zuid Rijntalders dienstwagen aanhield om gered te worden. „Ze schreeuwden: Meneer! Meneer! Er cirkelden aasgieren om hen heen.”

De hoofdinspecteur – ooit rechercheur, nu coördinator huiselijk geweld in zijn district – gelooft niet dat de grootschalige aanrandingen zijn voorbereid. „Jongens spreken makkelijker af: we gaan tasjes roven, dan: we gaan meisjes knijpen.” Ze zien het anderen doen en doen het razendsnel na.

Hij had graag camerabeelden willen zien van de eerste aanranding in Keulen, zegt hij.

Bij de politie had ik eerder gehoord dat er bij seksueel geweld een oververtegenwoordiging is van daders met een islamitische achtergrond, Surinamers en Antillianen. „Het komt overal voor”, zegt de hoofdinspecteur, „in alle lagen van de bevolking”. Maar „de onderlaag” heeft en maakt de meeste problemen. Hij schetst een uitzichtloos leven zonder werk, soms met beperkte verstandelijke vermogens. De dagen gedrenkt in verdovende middelen.

Een paar jaar geleden was ik zelf in de Oudejaarsnacht getuige van een geweldsuitbarsting in de Rotterdamse Afrikaanderwijk. Zestig Turks-Nederlandse jongens, dronken van de bessenjenever, staken twee auto’s in brand en sloegen de ruiten van het zwembad in. Ze knepen de aanwezige politievrouwen in hun billen en drukten hen tegen zich aan.

„We mogen zoveel drinken als we willen”, zei Gökhan, de leider, in een pathetische monoloog. „We mogen seks hebben met wie we maar willen. Wij komen uit een armoedig dorp in de bergen. Wie kan hier dan zoveel rijkdom weerstaan?”