De eeuwige echo van Alice

De roman ‘Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll zit in de potgrond van de Westerse cultuur. In het theater zijn nu drie voorstellingen over het bokkige meisje te zien.

'Alice' van de Gauthier Dance Company

Het is goed grazen in Wonderland. Neem afgelopen zaterdag. Operaregisseur Lotte de Beer bezweert in een interview: „Ik heb geen ‘off with their heads’-gevoelens” – en verwijst, zonder uitleg, naar de redeloos jaloerse Hartenkoningin uit Alice in Wonderland. Boven een rouwadvertentie in een andere krant maant een motto: ‘Begin at the beginning and go on till you come to the end’ – uit Alice in Wonderland. ’s Avonds kijk ik naar de Netflix-serie Fargo. Een huurmoordenaar uit Kansas City marcheert naar een klus. Opgewekt declameert hij een gedicht.

Twas brillig, and the slithy toves

Did gyre and gimble in the wabe

All mimsy were the borogoves,

And the mome raths outgrabe…’’

Uit Alice in Wonderland. Bij de laatste strofe vuurt de killer. Raak. Uiteraard.

Les 1 van Wonderland: nonsens zijn zo onzinnig nog niet, mits goed geplaatst.

Les 0: Wonderland is deel van de potgrond van de westerse cultuur. Het is zelfs zulk bekend terrein dat citaten en karakters uit het boek zijn ontsnapt en een zelfstandig bestaan leiden. Ook wie Alice in Wonderland niet kent, kijkt niet op van een verwijzing naar ‘de gekke hoedenmaker’ die eindeloos zijn ‘niet-verjaardag’ viert. Het witte konijn met zijn horloge is een bekend beeld voor loze jachtigheid. En de velen die het niet lazen maar het verhaal op een andere manier meekregen, kennen vermoedelijk de vissenlakei of de kwaaie hertogin met haar baby die in Alice’ armen in een biggetje verandert.

De roman Alice in Wonderland van de Britse schrijver Lewis Carroll staat voor de combinatie van twee van zijn boeken: Alice’s Adventures in Wonderland (1865) en Through The Looking-Glass (And What Alice Found There) (1871). Het derde element is er pagina na pagina doorheen gevlochten: Alice is het meisje met hangend haar en de stuurse blik, gedefinieerd door illustrator John Tenniel. Na zijn pentekeningen kreeg Alice, in films en door andere illustratoren, vaak opnieuw vorm. Ze beeldden haar altijd mooi en lief en, excusez le mot, vrouwtjesachtig af. Fout. Nee jongens, hoe opwindend jullie dat ook mogen vinden, Alice is Goudlokje niet, ze is een bokkig grietje. En geen schoonheid. Lees de tekst maar.

Alice belandt dus in Wonderland. De eerste keer via een eindeloos diep konijnenhol, de tweede keer doordat ze door het spiegelglas heen klimt. Vervolgens wordt ze gesard en getart door allerhande types die haar hun eigen logica opleggen. Vast gegeven is dat niemand zijn gedaante zeker is – ook Alice niet. Meermalen dijt ze uit en klinkt ze weer in.

Het boek raast voort, het stampt als een stoomtrein, met als brandstof surreële zinswendingen en gedichten en klinkklare gekte. Boordevol ideeën zit het, krachtig zijn de beelden. Denkers ontlenen er beelden aan, essayisten fleuren er hun artikelen mee op. Schakers houden ervan (er wordt navolgbaar geschaakt met de personages).

Het boek is anarchistisch, voor sommigen is de verbeelding wel heel erg aan de macht – in de Verenigde Staten schreef L. Frank Baum een brave variatie en noemde het The Wizard of Oz (1900). Vooral songwriters zijn dol op Alice en haar Wonderland, te beginnen met de popband Jefferson Airplane. Die herkende in haar avonturen een drugsroes, met de song White Rabbit (1967):

One pill makes you larger,

and one pill makes you small…

Er zit ook een „hookah-smoking caterpillar” in en „logic and proportion /Have fallen softly dead”.

Ontelbare schrijvers, filmers, beeldend kunstenaars, vonden hun heil in Wonderland. Kijk nog eens naar het personage Hermelien in J.K. Rowlings Harry Potter-romans. Zij is onmiskenbaar een echo van Alice.

Dit jaar produceert Hollywoodtovenaar Tim Burton deel 2 van zijn Alice-film uit 2010, opnieuw met Johnny Depp als de Hoedenmaker. En dezer dagen zijn er in de Nederlandse theaters zelfs drie versies van Alice in Wonderland te zien, twee toneelstukken en een dansvoorstelling.

Alice is geknipt voor het theater. In het boek wandelt ze van de ene scène de andere in. En iedereen die ze ontmoet speelt nadrukkelijk een rol.

All the world’s a stage / And all the men

and women merely players.”

Zo omschreef Carrolls landgenoot Shakespeare de menselijke conditie. Carroll heeft voor Alice een verontrustende formulering in petto:

„Who in the world am I?

Ah, that’s the great puzzle.”

In theorie weet Alice hoe een meisje zich heeft te gedragen. In de praktijk vergeet ze het voortdurend. Behaagziek zijn bijvoorbeeld, dat lukt nog helemaal niet. Alice kent haar rol niet. Ze is compleet zichzelf.

Curiouser and curiouser.” Dat roept ze uit, aan het begin van hoofdstuk twee. „Vreemder en vreemder” betekent dat en het dekt haar tuimeling door Wonderland. Maar het betekent óók: „Nieuwsgieriger en nieuwsgieriger.” En dat slaat op haarzelf. Alice wil alles weten, ze vraagt en ze vraagt. En ze krijgt op haar kop, want vragen stellen is niet netjes. Het is de belangrijkste les van het kinderboek dat Alice in Wonderland ook is: kind, vraag en je wordt wijzer. Vraag en je groeit op. Vraag en je verslaat de vreemde vogels die de meeste volwassenen zijn.

Het is vaker opgemerkt, de Nederlandse titel Alice in Wonderland is een vergissing. ‘To wonder’ is een werkwoord, het betekent ‘je iets afvragen’. Als ik het voor het zeggen had, herdoopte ik de Nederlandse vertaling van Alice in Wonderland tot ‘Alice in Benbenieuwdland’.

En er is één inwoner van Wonderland die haar vragen serieus neemt: de Cheshire Cat. Hij wijst haar op het rollenspel van het leven en dat je daar niet onderuit komt: „It’s no use going back to yesterday, because I was a different person then.

Alice snapt hem niet maar ze luistert wel naar hem. Niet voor niets, poezen zijn belangrijk voor haar. Ze zijn, zo wordt gesuggereerd, haar enige vrienden, van de poes Dinah tot het naamloze jonge katje aan het slot van Through The Looking-Glass, dat „altijd spint, wat je ook tegen [hem] zegt”.

Het is ook de Cheshire Cat die haar eerlijk zegt waar het op staat: „We’re all mad here. I’m mad. You’re mad.”

‘Mad’ betekent gek. ‘Mad’ betekent kwaad. ‘Mad’ betekent die twee dingen tegelijk. ‘Mad’ omschrijft accuraat wat de mens voorstelt.

De Cheshire Cat spint nooit en kopjes geven zit er niet in. Hij verdwijnt als je hem nodig heb. Hij verschijnt als het hem uitkomt. Illustrator Tenniel beeldde hem af als een zwevende grijns, en je laat het wel uit je hoofd om hem te aaien. Zijn gezicht staat ironisch. Hij weet alles, dat zie je. Maar hij weet ook dat hij niets kan veranderen.

De Cheshire Cat zou een pendant van God kunnen zijn. Hij bestaat, maar Hij helpt je niet, Hij kan je slechts aansporen om alles zelf te doen.

Ik had de Cheshire Cat als kerstbal. Ook afgelopen Kerst hing hij me tussen de dennentakken geruststellend aan te grijnzen. Daar kwam de poes aangedrenteld, ze heet Jackie. Páts. Daar lag Cheshire Cat. Aan scherven.