Boeken die we gaan (her) ontdekken

Op het Schwob-festival, zondag in Utrecht, bespreken negen leesclubs negen boeken op de rand van (her)ontdekking. Wij nemen er alvast vijf onder de loep.


Hard, poëtisch zelfportret

Gezichten. Mohamed Choukri Vert. Djûke Poppinga.  Jurgen Maas, 182 blz.  € 16,95 

●●●●●

Mijn gezicht is de spiegel van mijn magische dromen, schrijft Mohamed Choukri (1935-2003) op de laatste bladzijde van Gezichten. Dan heb je al een hele portrettengalerij aan je voorbij zien trekken. Hammadi de gokker bijvoorbeeld, die als enige doel in zijn leven zijn trots als eeuwige overwinnaar wil bevredigen. Uiteindelijk creëert hij een alter ego, ‘de denkbeeldige gokker’, en dan bestelt hij ‘twee biertjes of een fles wijn met twee glazen: één glas voor hem en één voor zijn ingebeelde tegenstander.’ De winst verdeelt hij zijn geld onder de kroeglopers.

Verder kom je nog de ‘geniale schilder’ Khaliel tegen, die ooit debuteerde met een tentoonstelling van ‘levende skeletten en spookachtige gedaanten, die wachtten op hun eigen begrafenis’. En je ontmoet Moensif, ‘de stadschroniqueur van de dood’.

Maar Gezichten, het derde deel van de trilogie die begon met Hongerjaren en Jaren van dwaling, is vooral een portret van Tanger, waar Choukri’s familie naartoe trok, weg van de armoede in noord-oost Marokko. Daar leerde hij op zijn twintigste lezen en schrijven, daar ontmoette hij Jean Genet, Paul Bowles en Tennessee Williams, daar schreef hij zijn debuutroman Hongerjaren die hem beroemd maakte. De kroegen, de prostituees, de louche handeltjes, de ‘botsing der culturen’, de homoseksuelen: ze passeren de revue in een chaotische stroom van verknoopte, vaak plotloze verhalen. Tanger, ‘de stad die iedereen die niet weg kon tot zelfmoord dreef’, de stad die iedereen ‘vroeger zag zoals ze was’, maar tegenwoordig ‘zoals ze vroeger was’.

Het boek is vooral een keihard en tegelijk poëtisch zelfportret van een dichter en schrijver die de stem van een generatie landgenoten werd, van een kunstenaar die ‘een creatieve werkelijkheid liet ontstaan uit het bestaan en uit het niets, uit het nutteloze en het ijdele, teneinde het sublieme te bereiken’. Ook die allesoverheersende ambitie is zichtbaar in Choukri’s eigen spiegel van magische dromen.

Margot Dijkgraaf

De man blijkt veel ijzingwekkender te zijn

De wachttoren. Elizabeth Harrower.  Vert. Nicolette Hoekmeijer. Veen Klassiek, 287 blz. € 19,99 

●●●●

Toen in 1971 de Australische schrijfster Elizabeth Harrower (1928) haar uitgever belde, was dat om haar op het punt van te verschijnen roman In Certain Circles terug te trekken. Waarom ze dit deed, is altijd duister gebleven, maar betreurd werd het wel. Harrower stond op dat moment in het rijtje van Australische topauteurs als Christina Stead (van wie in 2009 zonder succes het schitterde gezinsdrama De man die van kinderen hield werd heruitgegeven, maar toen was de term herontdekte klassieker nog niet was bedacht) en Nobelprijswinnaar Patrick White. Ze had vier goed ontvangen romans geschreven, waaronder The Watch Tower, dat nu in een voortreffelijke vertaling verscheen als De wachttoren.

De wachttoren speelt zich af in het Sydney van de jaren dertig, wanneer twee zusjes, Laura en Clare, alleen achterblijven. Hun vader overlijdt en hun ijdele moeder vindt Sydney te saai en vertrekt naar Engeland. Laura is secretaresse bij ene Felix Shaw. Hij biedt aan met Laura te trouwen en Clare in huis op te nemen, maar uiteraard blijkt de man minder vriendelijk dan zijn aanbod doet vermoeden. Dat krijg je als een man ‘kijkgaten heeft, die een glimp boden van een bepaalde kracht, dierlijk, ijzingwekkend, volkomen onderaards.’ Als een soort Blauwbaard in Australië brengt hij de vrouwen geestelijk om zeep, althans doet hij daar redelijk geslaagde pogingen toe door ze te vernederen en te misbruiken. De wachttoren is een zelfde soort beklemmend gezinsdrama als dat van Stead, en bijna even goed, maar door het slot net iets minder.

Toef Jaeger

Verdwijnen kan heel kunstig zijn

Het voorgevoel. Emmanuel Bove. Vert. Mirjam de Veth. Arbeiderspers, 144 blz. € 18,99 

●●●●

De kunst van het verdwijnen – het is een populair thema in de letteren. Van Nathaniel Hawthorne tot Patrick Modiano, steeds wordt het onderwerp opnieuw onderzocht en gefileerd. Waarom dringt het verlangen te verdwijnen zich van tijd tot tijd op in een leven?

In Het voorgevoel geeft de Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945), een verrassend duidelijk antwoord. Zijn hoofdpersoon, Charles Benesteau, verlaat familie en vrienden ‘uit afkeer en verachting’. Hij kan niet meer aanzien ‘hoe de mensen zich druk maken uit eigenbelang.’ Zijn kinderen zijn groot en ‘min of meer weggehouden van hun vader’, zijn vrouw vraagt kort na zijn verdwijning echtscheiding aan, hij doet dus ‘niemand kwaad’.

Hij heeft geen geldzorgen, huurt een huis in een andere wijk en voelt zich vrij, ‘in moreel opzicht is mijn leven nu honderd keer mooier’. Voor even dan. Want al snel blijkt Boves naïeve hoofdpersoon in zijn nieuwe omgeving omringd wordt door grotere graaiers dan degenen die hij achter zich liet. In zijn nieuwe buurt is hij, ondanks zijn goedheid, al snel een mikpunt van pesterijen – tot het definitieve verdwijnpunt zich aandient.

Het voorgevoel is een prachtig geschreven, melancholieke en goed vertaalde roman. Bove schreef tientallen romans, verhalenbundels en was een journalistiek broodschrijver. Romancier van de middelmatigheid is Bove wel genoemd, zo bescheiden, kleurloos en alledaags zijn zijn personages. Het zijn doorgaans onzekere dromers, weinig daadkrachtige mannen die, net als Benesteau, op een soms absurdistische manier buiten de wereld staan.

Het leven na zijn verdwijning brengt deze hoofdpersoon evenmin vervulling. Iedere avond zit hij aan zijn bureau om, ironisch genoeg, zijn herinneringen op te schrijven aan het leven dat hij achter zich liet. Maar ook het nieuwe leven heeft voor hem ‘niets bijzonders’, het is ‘zonder enige glans’. De kunst van het verdwijnen is bij Bove een klinkende mislukking.

Margot Dijkgraaf

Net doen of ze de nazi’s slecht vonden

Het verborgen stadspaleis. Elisabeth de Waal. Vert. Gerlof Janzen. Cossee, 320 blz. € 21,95 

●●●●●

In De haas met de amberen ogen vertelt de Brit Edmund de Waal de geschiedenis van zijn kosmopolitische joodse familie, de Ephrussi’s. Het boek maakte veel indruk en vroeg om meer. In die behoefte heeft De Waal nu voorzien door een ongepubliceerde roman van zijn grootmoeder uit te geven. Zij werd in 1899 als Elisabeth von Ephrussi in een Weens paleis geboren en overleed in 1992 in Engeland. Het familievermogen was in 1938 door de nazi’s ingepikt.

Haar roman Het verborgen stadspaleis, in het origineel The Exiles Return geheten, gaat over een paar ballingen, die voor de nazi’s naar Amerika zijn gevlucht en in 1954 naar Wenen terugkeren. Een van hen is de joodse professor Adler, die op grond van een restitutiewet zijn vroegere positie komt opeisen. De ander is Theophil Kunakis, een schatrijke homoseksuele estheet, die in Wenen zijn genot najaagt en verliefd is op een verarmde, jonge prins. En dan is er de jonge Amerikaanse Resi Larsen, die bij haar adellijke familie logeert en diezelfde prins begeert. Het leidt tot een drama dat zij met de dood bekoopt.

Het verhaal is wat voorspelbaar en operetteachtig, met een jachtpartij, een bal en een ongewenste zwangerschap. Van alle personages krijgt slechts Adler diepgang. Toch heb ik het boek met plezier gelezen. Vooral dankzij de unieke en belangwekkende historische beschrijvingen over de naoorlogse high society en de hypocriete bureaucraten, die net doen alsof ze de nazi's zo vreselijk vinden. Deze roman is dan ook eerder een bijzonder egodocument te noemen, waarvan je begrijpt waarom het alsnog is verschenen.

Michel Krielaars

Hoe vrouwen leefden vóór het feminisme

De pompoeneter. Penelope Mortimer: Vert. Irving Pardoen. Lebowski, 192 blz. € 19,99 

●●●●

Soms is een boek een feministisch pamflet zonder pamflettistisch te zijn – en dat geldt voor Penelope Mortimers De pompoeneter (1962). Aan het begin van de roman trouwen een man en een vrouw. Zij heeft kinderen, hij droomt van een carrière in de film. Er komen veel nieuwe kinderen. De man krijgt succes, een minnares, een drankprobleem en nog een minnares.

De (naamloze) vrouw niet. We lezen haar levensverhaal zoals zij dat met horten en stoten doet aan een psychiater: ‘Ik zal proberen oprecht te zijn tegenover u, al denk ik dat u eerder geïnteresseerd bent in mijn onoprechtheid, als u begrijpt wat ik bedoel.’ Ze is een ongelukkige huisvrouw met steeds minder huishouden, door het toestromende personeel.

Depressies volgen. Het moederschap brengt haar geen geluk, niet voor niets gaat het in het boek steeds om haar vele kinderen, maar wordt er nooit gezegd hoeveel het er precies zijn; slechts een enkeling wordt bij naam genoemd.

Het probleem van de vrouw is niet dat ze in haar ambities gefrustreerd wordt, maar dat ze amper ambities heeft; het enige waarvoor ze plannen maakt is het krijgen van meer kinderen. Erger nog is dat gebrek aan ambitie zo lang de sociale norm is geweest – ook in de progressieve kringen waar Mortimers roman speelt.

Uit elke zin in deze scherpe en subtiele roman blijkt dat haar intelligentie niet het probleem is. Dit is een vrouw die niet weet dat ze iets te willen heeft. Het maakt De pompoeneter tot een feilloze schets van het onbehagen bij de vrouw vóór de tweede feministische golf.

Arjen Fortuin